Na de melding begin februari 1944 van de vondst van een schip op kavel M 107 (Noordoostpolder) werd het onderzoek in drie etappes uitgevoerd. Het bleek al spoedig dat deze scheepsvondst zowel uit historisch-scheepvaartkundig als uit bodemkundig oogpunt verreweg de belangrijkste was die tot dan toe in de Noordoostpolder was gedaan. Er zijn daarom maatregelen getroffen om het schip op den duur te kunnen conserveren. Het is daartoe overgedragen aan het Openluchtmuseum te Arnhem. Door het ontbreken van de materialen ter conservering van het hout is het schip, nadat het ontgraven was, in afwachting van gunstiger tijdsomstandigheden, eerst in een steriel milieu beneden de grondwaterspiegel naast de vindplaats begraven.
Het onderzoek en de vondstomstandigheden
Het oudheidkundig bodemonderzoek, volgens de kwadrantenmethode verricht, bestond
de eerste maal uit het openleggen van het voor- en achterschip. Midscheeps
bevond zich een lading bakstenen (28 X 13 X 6,5 cm), die vervolgens uit het
schip genomen zijn. In het achterschip werden enkele gebruiksvoorwerpen
gevonden, die hierna afzonderlijk besproken zullen worden. In het schip en ook
daar buiten, vooral bij de steven en aan stuurboord, werden veel losgeslagen
delen gevonden. Onderin lag veel zgn. zinkhout en veen.
Bij het voortgezette onderzoek groeven wij drie proefsleuven loodrecht op de
lengteas van het schip, terwijl bovendien de voor- en achtersteven geheel werden
vrij gelegd.
Het onderzoek van de profielen leidde tot interessante conclusies ten aanzien van de afzetting van bepaalde kleien in de Zuiderzee. Wij waren reeds van tevoren op deze afzettingen opmerkzaam gemaakt door drs B. van Raadshoven, geoloog bij het Bodemkundig Laboratorium van de Directie van de Wieringermeer te Kampen. Aan hem danken wij de onderstaande determinatie.
Het schip lag met de kielbalk op en even in het laagterraszand; een situatie,
waarin het overgrote deel der scheepsvondsten in het Urkerland werd
aangetroffen.
Op deze zandlaag had zich een veenlaag gevormd, waarop een pakket verslagen veen
of detritus gesedimenteerd was. Dit laatste ging geleidelijk over in een
zoetwaterklei, waarin - vooral onderin - talrijke dunne laagjes verslagen veen
voorkwamen. Deze zoetwaterklei of „sloef” werd aan de bovenzijde begrensd door
een uitgesproken schelplaag van marine mollusken, waarin veel Mya voorkwam. Maar
ook al direct onder deze schelplaag bevond zich een brakwaterovergangslaag,
waarin praktisch alleen zeer kleine Cardium voorkwam, terwijl meer naar beneden
alleen zoetwaterschelpen van Valvata, Pisidium, Unico, Sphaerium, Bythinia, e.
a. voorkwamen.
Boven de schelplaag bevond zich een zuiver marine klei met Mya en Cardium. Pas
bij het openleggen van het schip en in het bijzonder uit de profielen, bleek
onomstotelijk, dat het schip enige tijd vóór de afzetting van bovengenoemde
schelplaag moet zijn vergaan.
Al direct constateerden wij, dat het schelplaagje vrijwel ongestoord over de
lading van het schip doorliep. Onder het schip en langs de zijwanden ervan
troffen wij géén Mya’s meer aan. En tenslotte kon uit de profielen worden
afgelezen, dat de sloef bij het zinken van het schip, nog voordat zij haar volle
dikte had bereikt, hevig was verstoord. Boven deze doorwoelde sloef hadden zich
vóór de marine sedimentatie nog enkele centimeters jongere sloef afgezet in den
vorm van zoetwaterklei.
Over de sedimentatiesnelheid van de sloef staan ons twee gegevens ter beschikking. Allereerst is daar het schip op kavel M 107, maar bovendien werd dicht bij Marknesse (kavel R 42; in de wegsloot) een vondst gedaan van ten minste zeven min of meer beschadigde kogelpotten. Naar aanleiding van het kogelpottenaardewerk dat bij Kuinre en Schokland is gevonden dateerden wij dit aardewerk als 13e eeuws. Met deze laatste vondst is dus een datum ante quem voor het ontstaan van de sloef gegeven. Bovendien zal hierna bij de beschrijving van de vondsten uit het schip op M 107 blijken, dat wij dit in het midden van de tweede helft van de 14e eeuw dateren. In het profiel op M 107 bedraagt de dikte van de sloef die werd afgezet vóór het zinken van het schip circa 0,50 m, d. w. z. dat dit pakket in ruim 100 jaar ontstond. De sloef die onder invloed van den IJssel werd afgezet is op deze afstand van de riviermond dus in een vrij kort tijdsbestek gesedimenteerd.
Bij de bepaling van het definitieve einde van de sloefsedimentatie betrekken wij vervolgens de enkele centimeters zoetwaterklei die na het zinken van het schip werden afgezet. Het lijkt ons zeer waarschijnlijk dat een gebeurtenis in de eerste helft van de 15e eeuw aanleiding geweest kan zijn voor de radicale verandering van een brakwater in een marien milieu.
De gegevens, die mij door Van Raadshoven ter beschikking werden gesteld, wijzen er sterk op dat deze sloefafzettingen in nauwe relatie staan tot de IJssel. Wanneer wij vervolgens uit de historische berichten lezen dat de IJssel sedert de Elisabethsvloed in 1421 veel minder water te verwerken kreeg doordat het verval van de Waal veel groter werd, dan lijkt het ons niet ongerijmd deze gegevens met elkaar in verband te brengen. Wij menen hieruit te mogen concluderen dat het einde van de sloef, overeenkomstig de datering van het aardewerk, een gevolg is van het ontstaan van de Biesbosch in 1421.
De vondsten
In het schip troffen wij de volgende vondsten aan:
1. een ijzeren bijl met aan één zijde een iets verlengd steelgat,
2. het blad van een anker,
3. een mesje met cilindrisch houten heft, waar de angel van het lemmet geheel in
doorloopt,
4. een ijzeren vuurtang met ruitvormig afgeplatte uiteinden,
5. een licht beschadigde kruik van hard gebakken, licht geelgrijs steengoed met
een gegroefde cilindrische hals, een omgekeerd eivormige buik en een dikke
golvende standring. Hoogte 0, 228.
In de literatuur vonden wij twee gedateerde kruiken, die goed vergelijkbaar zijn
met deze kruik:
a. een kruik, die door de er in gevonden munten uit 1370 gedateerd is. De hals
is wat minder conisch dan de onze, en voorts is de kruik voor een gedeelte
helderbruin geglazuurd. Aangezien zowel de conische halzen als de helderbruine
glazuurvlekken een laat 14e en vooral 15e eeuws verschijnsel zijn, menen wij
zonder bezwaar voor onze kruik een zelfde datering te mogen toepassen.
b. Een in Raestrup gevonden kruik, die uit de 14e eeuw gedateerd is. Deze heeft
alleen geen duidelijk gegroefde hals. Aangezien het vervlakken van de scherpe
groeven een later verschijnsel is, terwijl de kruiken uit ± 1300 vaak een
uitgesproken, fraai gegroefde hals bezitten, die bij de 15e eeuwse kruiken
ontbreekt, is ook deze kruik vergeleken met de onze eerder later dan vroeger.
Samenvattend kan de kruik uit het schip dus in het derde kwart van de 14e eeuw
worden gedateerd.
6. Een gave bronzen spaansche pot (Duits: Grape), met trechtervormige,
geprofileerde rand; een bolle buik; twee rechthoekig gebogen oren; op drie poten
met verbrede ondereinden; onder de buik een gietprop als centrum van een
stervormige versiering, hoogte 0,147.
7. Een enigszins beschadigde, bronzen Spaanse pot met trechtervormige,
geprofileerde rand, bolle buik met in het midden twee omlopende richels, met
twee scherphoekig gebogen oren, waaraan een getordeerd ijzeren hengsel, op drie
poten met klauwvormig verdikte ondereinden en onder tegen de buik een gietprop
als centrum van een stervormige versiering, hoogte 0,131.
Ter vergelijking kunnen de volgende gedateerde grapen uit de literatuur worden
aangevoerd.
a. Een Spaanse pot, door een muntvondst in 1418 gedateerd, afgebeeld en
beschreven door J. Hagen. Deze grape heeft dezelfde verbrede voeten en een
stervormige versiering midden onder de buik. De oren ontbreken maar wel wordt
gesproken over een ijzeren hengsel dat is afgebroken. Gezien de vrij lange
levensduur van de bronzen „grapen" ten opzichte van aardewerk en de functie die
deze het laatst vervulde, nl. om munten te bergen, is het niet onmogelijk dat de
pot vele jaren ouder is dan door de muntvondst wordt aangegeven.
b. K. Strausz wijdt uit over de vormveranderingen van de bronzen „grapen" naar
aanleiding van een vondst uit de Gubener Mauerstrasze, Frankfurt a. d. Oder.
Daar werden twee „grapen” gevonden, welke van de onze verschillen, doordat de
pootjes hoger zijn en recht eindigen, een gietprop ontbreekt en bovendien is het
kleinste van de twee meer open. De rillen op de buik beschouwt Strausz als een
verschijnsel dat in de eerste helft van de 15e eeuw opkomt.
Wij menen dat er n. a. v. de bovenstaande gegevens uit de literatuur aanleiding
bestaat om onze Spaanse potten 14e eeuw te dateeren. De niet afgewerkte
gietprop, de weinig open mond en de gehele vormgeving versterken bij ons deze
indruk. Hier moet aan worden toegevoegd dat wij in onze opvatting ten aanzien
van deze datering steun vinden door de bepaling van de ouderdom van het
aardewerk uit het schip.
8. Een gave cilindrische geslagen roodkoperen pan met een vlakke rand en holle
bodem, twee verticale ijzeren oren, waardoor een ijzeren hengsel. De nageltjes
zijn aan de binnenzijde plat geslagen en steken naar buiten uit. Hoogte 0,130.
In de literatuur vonden wij geen voorbeelden, naar aanleiding waarvan een
datering mogelijk is. Bij een andere scheepsvondst in de Noordoostpolder kon een
overeenkomstige koperen pan 17e eeuws gedateerd worden, doch deze had koperen
oren en een verdikte rand.
9. Een gaaf kannetje of drinkbekertje van licht geelgrijs hardgebakken steengoed met spatten groene loodglazuur; een gegroefde cilindrische hals, een dubbel conische buik, een geknepen dunne standring en een bandvormig oortje, hoogte 0, 092.
Renaud beeldt in zijn artikel over Polanen een drinkkan af die sterk doet denken
aan de onze en die hij omstreeks 1350 dateert. Het is echter waarschijnlijk dat
deze vorm van kan een lang leven heeft gehad. Wij hebben eens eenzelfde type
gezien dat geheel overdekt was met een lichtgrijze zoutglazuur en dus zeker in
de tweede helft van de 15e eeuw thuis hoorde of nog later.
Toch geloven wij dat het
bekertje uit het schip zeker wel in de tweede helft van
de 15e eeuw gedateerd kan worden. De scherpe vormen van de gegroefde hals en de
richel midden op de buik, evenals de geprononceerde overgang van hals naar buik,
wijzen op een vroeg ontstaan. Lastiger is het om iets van het groene loodglazuur
te zeggen, daar wij dit overigens niet kennen op het steengoed.
10. Een niet geprofileerde randscherf van geelgrijs steengoed met een bruine
glazuurvlek.
11. Een langwerpige, grijsblauwe aanzetsteen van schicht.
12. Fragment van het bovenleer van een schoen.
13. Dakpanfragmenten, waarop een dun laagje groene loodglazuur in de holte is
aangebracht.
14. Drie grauwrode bakstenen, 1. 0,27, br. 0,13, di. 0,06.
15. Baksteen, waarin zich een ijzeren bootshaak met één der beide punten heeft
vastgewerkt.
16. Tweetandig, gevorkt ijzeren voorwerp met ring om de steel.
17. Lange ijzeren bout.
18. Een kleine, ijzeren nagel.
19. Fragmenten van henneptouw.
20. IJzeren „vingerling”, d. w. z. een oog, waarin een pen van het roer gestoken
wordt, met een deel van de achtersteven.
Het was alleen bij de kruik no. 5 mogelijk een positieve datering in het derde
kwart van de 14e eeuw te geven. De beide grapen en het drinkbekertje dateerden
wij 15e eeuw, terwijl de overige voorwerpen geen vergelijkbaar materiaal boden.
Wij geloven echter de waarheid niet te kort te doen wanneer wij het tijdstip
waarop het schip verging op het midden van de tweede helft van de 14e eeuw
stellen.
De bouw en het type van het schip
Het zal na de reconstructie van het schip ongetwijfeld mogelijk zijn een meer
volledige beschrijving te geven. De vele losse delen, die gevonden werden,
kunnen het beeld hier en daar aanvullen.
De voor- en achtersteven waren vrij ernstig beschadigd, vooral bij de laatste
ontbrak aan stuurboordzijde een aanzienlijk deel. Door de „zeegt” en doordat het
schip iets over bakboord hellend was gezonken werd de bakboordzijwand tot en met
de bovenrand gespaard. Van de stuurboordzijwand ontbrak de bovenrand tot aan het
gangboord. Bij het uitgraven van het schip waren de beide gangboorden nog
grotendeels intact. Door het lossen van de circa 5000 bakstenen is dat aan
stuurboord geheel en dat aan bakboord gedeeltelijk afgebroken. Ook het roer
ontbrak, maar een zgn. „vingerling” aan de achtersteven verraadt dat er wel een
aanwezig is geweest. Van de dekleggers werd nog een in situ aangetroffen, een
tweede heeft achter tegen de mast aan gelegen, terwijl een derde wacht op
plaatsing bij de reconstructie. De laatste is aanzienlijk kleiner dan de beide
anderen en behoort waarschijnlijk in het voorschip thuis, omdat zij daarin werd
gevonden.
De lengte van den kielbalk bedraagt 13,40 m; gr. br. 40 cm; di. 15 cm. De
„wijdte” van het schip binnen de huidplanken is (gemeten in doorsnede ƒ; zie
afbeelding) bij benadering 4,50 m, terwijl het 1,25 m diep is.
Het gehele schip is van eikenhout. Een los vloertje, ook „lading” genoemd, dat
onder de bakstenen tevoorschijn kwam, bestond uit eiken- en vurenhouten planken.
De uit één stuk gemaakte kielbalk is aan de voorzijde doorboord, waarschijnlijk
om het schip de helling op te trekken. Ook de beide planken ter weerszijden van
de kielbalk, de zgn. kielplanken, bestaan elk uit één stuk. Daarentegen zijn de
meeste overige huidplanken uit twee delen samengesteld, welke op elkaar zijn
gespijkerd met breedkoppige, ijzeren nagels. De bevestiging aan de leggers heeft
met houten pennen plaats gevonden. De huidplanken liggen overnaads. De naden
zijn gebreeuwd met mos, dat wordt vastgehouden door ronde breeuwplaatjes, die
aan twee zijden een punt hebben, waarmee zij in het hout zijn vast geslagen, op
de wijze als schoenbeslag met ruitvormige ijzertjes. Deze plaatjes zijn dicht
naast elkaar aangebracht.
Zowel aan de voor- als achtersteven zijn de huidplanken even ingelaten en
vastgespijkerd. Tevens troffen wij bij de voorsteven een „valse steven”, d.w.z.
een balk, die de stoten voor de eigenlijke steven opvangt.
Het schip heeft 27 „leggers”, die meestal drie-, soms vierdelig zijn. De eerste
en de laatste vier zijn V-vormig, zodat een scherpe voor- en achtersteven
verkregen werd. De overige leggers zijn U-vormig. In de leggers was boven den
kielbalk een tunnelvormige opening uitgespaard, zodat het water kon weglopen en
uitgehoosd worden.
Over de leggers waren aan stuur- en bakboord lange planken getimmerd; los
daartussen lag het vloertje, de zgn. lading.
Van den 17de tot en met de 20ste legger bevindt zich een mastblok, dat met twee
zgn. knieën op de 19de legger was bevestigd. De oorspronkelijke mastvoet paste
in een vierkante opening (20 X 22 cm), maar hogerop was de mast rond, zoals
bleek uit een halfronde uitholling in de deklegger, die de achterwaartse druk
moest opvangen. Midden op de 21ste, van deze tot aan de 22ste legger werd een
vastgetimmerd plankje gevonden met twee rechthoekige gaten, waarvan de functie
niet duidelijk is.
Op de plaats van de 9de legger bevindt zich een deklegger in situ; hij was met
twee knieën aan de huid bevestigd.
Aan bakboord zit aan de binnenzijde, over een vrij groten afstand, een lijst
tegen den bovenrand. Bovendien werd aan de buitenzijde tussen de doorsneden / en
g (zie afbeelding) op de bovenste huidplank een „rust” aangetroffen; in enkele
van de vijf gaten zaten nog resten van henneptouw.
Aan de hand van de lading kloostermoppen is het mogelijk de grootte van het
schip nader te bepalen. Naar vrij nauwkeurige schatting waren er 5000 stenen aan
boord toen het schip zonk. Het gewicht van elk van deze stenen kan naar boven
worden afgerond op 4 kg, zodat de lading ± 20 000 kg of 20 ton = 10 last
bedroeg.
Wij willen ten slotte nog een enkel ogenblik stilstaan bij de bepaling van het
type van het schip. De vondst als zodanig staat geheel op zichzelf. In de
literatuur beschikken wij over geen enkele onmiddellijk vergelijkbare
tegenhanger. Wij zullen ons dus moeten beperken tot de literaire gegevens die
bekend zijn over de middeleeuwse scheepvaart en scheepsbouw.
Hagedorn deelt ons mede dat het gemiddelde der zeeschepen in de 12e en 14e eeuw
100 en 200 ton bedroeg. Hieruit blijkt dus dat het schip op M 107 tot de
kleinere scheepstypen van die tijd behoord heeft. Helaas is over de kleinere
categorieën nog minder bekend dan over de zeeschepen.
Toch is het o. i. wel mogelijk het schip uit de Noordoostpolder een soortnaam te
geven. Wij menen dat het schip het meest op een kogge lijkt. De kogge heeft
echter geen eenvormig type maar laat een ontwikkeling zien. Tot 1200 schijnt de
kogge zonder vast roer uitgerust te zijn. Op de alleroudste stadszegels komt dit
type nog voor, maar spoedig vertonen de schepen echter een stevenroer. Uit de
kogge ontwikkelde zich de hulk, met als bijzondere kenmerken een voor- en
achterkasteel. Uit deze laatste is tenslotte het zeeschip van de 14e en15e eeuw
ontstaan.
Crone geeft in „Onze Binnenschepen” een afbeelding van een Zeeuwse kogge uit de
17e eeuw. Dit is een gladde boot, maar de grote lijnen schijnen overeen te
stemmen met ons schip. Ook het Zeeuwse scheepje bezat een spits toelopende
vallende voor- en achtersteven. Het mat 11 last, d. i. 22 ton.
De kogge heeft dus de verbetering van overnaadse bouw in gladde gevolgd, welke
verandering in de 15e eeuw inzette.
Kogge
Samenvattend menen wij dat de navolgende feiten aanleiding geven het schip uit
de Noordoostpolder een kogge te noemen:
1. In de 13e en 14e eeuw bestaat er een type schip dat kogge wordt genoemd en
volgens de afbeeldingen in vorm zeer aan het onze nabij komt.
2. In de 15e eeuw hebben grotere schepen dan het onze een andere naam, nl. hulk;
de naam kogge blijft na dien speciaal voor een kleiner type schip gelden, zoals
het Zeeuwse voorbeeld.
3. Ten slotte moet nog een bijzonderheid worden vermeld nl., dat onder het losse
vloertje tussen de leggers een laag schelpen werd gevonden, dat absoluut niet
bij de boven omschreven bodemkundige vondstomstandigheden past. Het zijn zgn.
„halfgeknotte strandschelpen” (Mactra, Spisula of subtruncata, Da C.), met de
„grote strandschelp” (Mactra stultorum, L.), nu de meest algemene schelp aan
onze stranden. Wij zoeken de verklaring hierin, dat één der vorige ladingen van
het schip uit schelpen heeft bestaan, waaruit wellicht kalk vervaardigd moest
worden om mee te metselen. Van meer belang is echter dat wij er een aanleiding
in mogen zien onze „kogge” als een zeescheepje te beschouwen.
Zie ook het artikel van Gerrit van Hezel: De NM107 - een kogge vol kloostermoppen (1375), 18 bladzijden
Bron: P.J.R. Modderman, Over de wording en de beteekenis van het Zuiderzeegebied, Groningen/ Batavia 1945, p.73-81. Foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, afdeling Scheepsarcheologie te Lelystad.