Schokkers en een nalatige Zwolse veerman (1749)

Het Zwolse karveelschippersveer op Amsterdam telde in 1745 zo’n dertig schepen, die zo’n 900 reizen maakten, waarvan 600 maal als beurtschip.
Op donderdag 14 oktober van dat jaar voer beurtschipper Jacob de Boer van Zwolle naar Amsterdam. Voorbij Ens, ter hoogte van de lijn Urk - Harderwijk, sloeg zijn beurtschip om. Bij de pogingen de opvarenden te redden waren diverse Schokkers betrokken. Jacob de Boer werd om zijn optreden op het getroffen schip door het bestuur van de stad Zwolle gedagvaard. Maar hij was uitgeweken naar de westwal en had steun gezocht bij de prins, stadhouder Willem IV, die op ’t Loo woonde. De prins wenste over de zaak geïnformeerd te worden. Het HCO-archief te Zwolle bewaart de door het Zwolse stadsbestuur aan de prins gestuurde verklaringen van een aantal Nederlandse en Duitse betrokkenen over de ramp, de hulpacties en met name over het gedrag van de veerman. Het bestuur onthield de prins daarbij ook haar eigen mening over de kwestie niet.
<1>

De zaak betreffende het omgeslagen schip van de Zwolse veerman Jacob de Boer

Ontvangen door mij ondergetekende uit handen van Rijn Westering een pakket, geadresseerd aan Zijne Hoogheid de Heer Prins van Oranje en Nassau etc etc:
’t Loo, 26 oktober 1749
(Handtekening)

Notitie van papieren rakende het ongeval van schip van J. de Boer in 1745 […] van de secr. E. Scriverius
Ik mij [s]amen
1. Recht J. de Boer
In dato 24 oktober 1745.
gesteld in handen van T […] een rapport met
2. Nadere verklaring van de Schokkers aan schout Willem Claesen, Louwe Derks, Hermen Herms, Hermannus Hermsen Sul, en Dubbelt Hendriks.
Verklaring
3.
N. 20 Christiaan de Zee
N. 19 Pieter Wilsem Bos
N. 18 Jan Willems
N. 17 Jan Jansen alias Garssen
N. 16 Willem Claassen
N. 15 Louwe Derks
N. 14 Dubbelt Hendriks
N. 13 Hermen Michiels alias Jas
N. 11 Schout Willem
N. 10 Jan Cantel
N. 9 Berent Hillebrand uit Recklinghausen
N. 8 Jan Hendrik Coldemeijer
N. 7 Frans Valk
N. 6 Kale Grotsen
N. 5 Gerrit Seine
N. 4 Laurens Hes
N. 3 Hendrik Nemeijer
N. 2 Jan Hendrik Eppink
N. 1 Wessel Luitjens

Draagt artikelen opgesteld door de schout indertijd van Emmeloord [over] en heb ter registratie van de Weledel Achtbare Heren van de magistraat der stad Zwolle daarop nog nader onder plechtige [‘solemneren’] ede gehoord alle Schokkers die aan Emmeloord wonen, welke met hun schuiten bij t omgeslagen schip van Jacob de Boer zijn geweest, naar voorafgaande wettige dagvaarding [‘citatie’],
En zij
Willem Claassen
Louwe Dirks
Harmen Michiels Jas
en
Dubbelt Hendriks
alle van competente ouderdom

1 - Of voornoemde schipper een bloot [=uit de schede getrokken] mes in de hand heeft gehad te tijde dat hij hen geweigerd en belet heeft van een gat in het schip te maken om de nog levende mensen te redden.

Getuige Willem Claassen verklaart niet gezien te hebben dat schipper Jacob de Boer een bloot mes in de hand heeft gehad ten tijde dat hij hen weigerde en belet heeft om een gat in het schip te maken om de nog levende mensen te redden. Getuige Louwe Dirks verklaart niet gezien te hebben dat schipper Jacob de Boer een bloot mes in de hand heeft gehad ten tijde dat hij hen weigerde en belet heeft om een gat in het schip te maken om de nog levende mensen te redden. Getuige Harmen Harmens verklaart niet gezien te hebben dat schipper Jacob de Boer een bloot mes in de hand heeft gehad ten tijde dat hij hen weigerde en belet heeft om een gat in het schip te maken om de nog levende mensen te redden.
Getuige Harmen Michiels Jas verklaart niet gezien te hebben dat schipper Jacob de Boer een bloot mes in de hand heeft gehad ten tijde als hij hen weigerde en belet heeft om een gat in het schip te maken om de nog levende mensen te redden.
Getuige Dubbelt Hendriks verklaart niet gezien te hebben dat schipper Jacob de Boer een bloot mes in de hand heeft gehad ten tijde dat hij hen weigerde en belet heeft om een gat in het schip te maken om de nog levende mensen te redden.

2 - Wie van u getuigen bijlen bij zich in de schuiten gehad hebben en wie niet.

Getuige Willem Claassens verklaart geen bijl bij zich in de schuit gehad te hebben. Getuige Louwe Dirks verklaart een bijl bij zich in de schuit gehad te hebben. Getuige Harmen Harmens verklaart een bijl bij zich in de schuit gehad te hebben. Getuige Harmen Michiels verklaart geen bijl bij zich in de schuit gehad te hebben. Getuige Dubbelt Hendriks verklaart geen bijl bij zich in de schuit gehad te hebben.

Gedaan op Emmeloord en de eed door haar getuigen gedaan [‘geprotesteerd’] zo waarlijk moest haar God Almachtig helpen voor mij als schout en in presentie van burgemeesters Gijsebert Tijmens en Willem Bruijns,
De 31 november 1745
H. Morre, schout <2>

1745, 18 oktober
[…] de in Doornik geboren soldaat Wessel Luitjens verklaart dat hij op donderdag 17 oktober 1745 met zijn vrouw en kind op de veerboot naar Amsterdam gestapt. Dat hij toen het schip de IJssel voorbij was en op de Zuiderzee gekomen was, is gaan liggen slapen op de [stapel] twijg die in het schip was. Dat hij een tijd lang heeft liggen slapen, en, toen met het schip tot ongeveer 2 uren ‘boven Ens na Harderwijk’ aangekomen [was], wakker is geworden door het water, dat vanwege het omslaan van het schip het ruim in kwam lopen.
Dat hij zich daarop met zeven man heeft gepoogd te redden (‘salveren’) en zich [heeft] begeven naar de opening van het schip om daar uit te komen, doch daarin is verhinderd door een losgelaten os, die ook in het schip was, en ook trachtte door dat gat er uit te komen. Dat hij daar op de os bij de hoorns had gevat, en op de os was gaan liggen, totdat de luiken opdreven en los raakten, en hij daar met de os is uitgekomen. Dat hij dus buiten boord is geraakt en door zwemmen wederom daarbij gekomen en zich [vast heeft] gegrepen aan een touw en zo is blijven hangen evenals een bode [=iemand die gezonden wordt om een bericht of voorwerp af te leveren] van Catenborus [?] zich gered heeft
Dat hij de schipper heel erg smeekte (‘biddende’) om hen te helpen, deze meer werk gemaakt heeft om het beest te helpen als hen, en hen niet eerder geholpen heeft dan nadat hij het beest reeds vast had en toen hen en nog 2 andere mensen geholpen had. Hij kon niet zeggen of zijn hevig smeken door de schipper gehoord is of niet.
Dat zij met 18 personen ruim 2 uren buiten op het schip hebben gezeten en toen door een vissersschuit daar afgehaald en naar Schokland zijn gebracht. Dat toen hij buiten op ’t schip was hij nog een van de anderen […] in het schip gehoord heeft, die nog leefden en riepen ‘Ach schipper help ons!’ Gelijk hij dan ook met een staak heeft trachten te doen, met toevoeging [geroepen] dat als zij de staak voelden, ze deze zouden moeten vasthouden, om hen dan onder het water door te halen. Doch tevergeefs.
Dat zij daarop allen naar Schokland zijn gevaren en daar aan land gezet. Dat de schipper die tegen de avond wederom met een Schokkerschuit naar het schip was gevaren, en daar met die schuit [was] gebleven. Dat hij de volgende dag verzoek van de kooplieden wederom met 6 Schokker schuiten naar het schip is gevaren, om te zien, of zij er goederen konden uit krijgen, wat vruchteloos was, omdat de schipper het niet wilde hebben, zeggende ‘neen, daar [waar] het schip blijft zullen de goederen ook blijven’. Dat hij daarop met 3 schuiten terug naar Schokland is gevaren en daar van de mensen, die naar daar met hare schuiten van het schip waren gekomen, heeft horen zeggen dat zij nog leven in het schip gehoord hadden, doch dat hij zelf dit niet gehoord heeft. Dat het schip in het binnenwater al bij de minste wind op de zijde was gaan liggen, zodat de mensen niet goed konden blijven zitten.
Dat hij niet heeft bespeurd, dat de schippers en zijn volk beschonken en onbekwaam zijn geweest.
Actum onder ede als naar stadsrecht. Coram [= Coram Deo = Voor Gods aangezicht], schepen Berg. (Handtekening ….)

1745, 18 oktober
[…] Gehoord Jan Hendrik Eppink, geboren te Bevergen, oud ongeveer 20 jaar, die zegt dat hij afgelopen donderdag van hier op Amsterdam met de veerman is gevaren.<3> Dat hij met het schip in zee gekomen zijnde, daarmee is omgeslagen. Dat hij in de ruimen was en daardoor wakker geworden is en verder is gekropen tot voor in het schip op de ingeladen twijg, evenals waar ook nog twee andere mensen naast hem dreven, namelijk iemand uit Zwolle en de andere, een bode uit Keuls Duitsland. Dat even na het omvallen de bode zich heeft vastgehouden aan de pomp en de schipper heeft toegeroepen dat hij hem in plaats van met de staak, waarop hij niet vertrouwde, op een andere wijze zou [moeten] helpen, door een gat uit het schip te houwen. Doch dat die daarop niet geantwoord had. Dat zij gedrieën daar binnen bleven zitten en wel gehoord hebben, dat het overgebleven volk ‘s avonds van boord af ging. Dat zij hen ook hebben toegeroepen om hulp, doch geen antwoord kregen. Dat zij daar gedrieën dus de gehele nacht en de volgende dag binnen zijn blijven zitten. ‘s Avonds om 8 uur, is hij door een gehouwen gat in de zijde van het schip gehaald en gered. Dat terwijl het gat in het schip is gehouwen, de bode eerst is gestorven, en de andere een uur daarvoor. Dat tevoren, voordat het ongeluk gebeurd is, het schip telkens op zijn zijde is gaan liggen, zodat het beest dat in het schip was verscheidene malen op de knieën is gevallen.
Actum onder ede naar stadsrecht. Corum, schepen Berg. (Handtekening …)

Gehoord Hendrik Niemeijer, bode uit Steinheim, die zegt dat hij op afgelopen donderdag van hier met de veerman op Amsterdam is gevaren. <4> Dat hij met het schip in zee gekomen zijnde tegenover Urk, het schip is omgeslagen zonder de oorzaak daarvan te weten. Dat hij in het ruim heeft gelegen en niet geslapen heeft, toen het [on]geval gebeurde. Dat het meer gewaaid heeft toen ze van hier zijn gevaren, als toen het schip is omgeslagen, doch dat het schip altoos meer geheld heeft over bakboord, dan over stuurboord. Dat de schipper ook in het ruim is geweest en op een hoenderkooi te slapen heeft gelegen. Dat toen even daarvoor de hoenders uit de kooi vlogen en hij tegen de schipper zei of deze dit aan de hoender-kramer niet bekend wilde maken, die hem daarop geantwoord had: ‘Laat de hoenders naar de duivel vliegen.’ Dat hij zich aan een touw gered heeft, en zo vervolgens door een ander, hem onbekend, met de hand aan boord van ’t schip is gehaald. Dat de schipper meer werk had gemaakt om de os die in ’t schip was te helpen, dan om hem, of een ander, roepende ‘Oh Mijn Arme Os die mij zo veel geld gekost heeft.’
Actum onder ede naar stadsrecht. Corum, schepen Berg. (Handtekening …)

1745, 18 oktober
Gehoord Laurens Hes, loper [=bode] van de Graaf Leopold van Regteren, en zei dat hij op afgelopen donderdag van hier op Amsterdam met de veerman is gevaren. Dat hij met het schip in zee gekomen zijnde, daarmee het na de middag is omgeslagen. Het was ‘sagjes omme gevallen’. Dat zij met hun vijven uit de roef zijn ontkomen en zich aan de touwen van het schip hebben gered. Dat de knechten braaf hun best hadden gedaan om de mensen te helpen, doch dat de schipper zich afgehouden heeft om zich met de os die in ’t schip was, bezig te houden. Dat zij in totaal met hun 18en [er] zijn afgekomen en met een schuit naar Schokland zijn gebracht. Dat de schipper de eerste avond wederom om elf uren met een vissersschuit naar het schip is gevaren.
Dat de anderen daags ‘s morgens nog dito 6 schuiten daar naar toe zijn gevaren en wel één afgehuurd door de kooplieden, die er afgekomen waren, om de goederen en lijken die zij konden krijgen, te bergen. Doch tevergeefs, daar de schipper niet had willen hebben dat zij een gat in het schip zouden maken, en de goederen daaruit nemen, zeggende dat ‘daar [waar] het schip blijft daar ook de goederen zouden blijven’. Dat hij gehoord heeft van de mensen, dat zij, bij het schip zijnde, gehoord hadden dat er nog ‘levendigen’ in waren.
Actum onder ede naar stadsrecht. Corum, schepen Berg. (Handtekening …)

1745, 18 oktober
[…] Gehoord Gerrit Seine, die zei dat hij afgelopen donderdag van hier op Amsterdam met de veerman is gevaren. Dat hij met het schip ‘dwars van Urk’ gekomen vanwege de koude van achteren naar het voordek was gegaan, en verliet daarbij Vale Potzen aan het roer en Frans de knecht […] Hij kon niet zeggen of de schipper Jacob daarbij is geweest of niet. Dat hij een half uur beneden gelegen of gezeten heeft toen een vrouwspersoon, die plat op de grond lag, toen van hem weg is gerold, en hij toen is opgestaan en het vooronder uit is gegaan [en] toen gemerkt heeft, dat het schip omgeslagen, en reeds onder water was. Dat hij niet kan zeggen, waardoor dat gekomen is. Het waaiende toen in het geheel niet hard, terwijl het daarvoor al vrij hard gewaaid had. Dat hij niet het minste aan het schip bespeurd nog bemerkt heeft, dat het meer naar de ene of andere kant helde. Dat hij zich aan de touwen gered heeft, en zo boven op het schip gekomen is. Dat hij met de anderen, zo’n 18, door een vissersschuit is afgehaald en aan ’t land gebracht, vanwaar hij weer met Rayers botschuit naar Zwolle is gevaren. Dat hij van het schip weggevaren zijnde wel heeft gehoord dat er de een of andere nog in leefde, doch geen [..] kans had om dezen te kunnen helpen, omdat zij allen koud verkleumd en zeer verbaasd waren.
Dat hij niet de minste dronkenschap bij de schipper of beide knechten bespeurd heeft.
Actum onder ede naar stadsrecht. Corum, schepen W.A. Greven. (Handtekening …)

1745, 19 oktober
[…] Gehoord Vale Potzen die zei, dat hij afgelopen donderdag met de veerman Jacob de Boer als zetschipper van hier op Amsterdam is gevaren. Dat er de gehele dag bij de vlagen een stijve koelte is geweest, doch niet zo, dat het, onbekwaam vaarbaar weer is geweest. Dat hij de geheele dag niets aan het schip bespeurd heeft. Dat hij met het schip in zee even boven Schokland gekomen zijnde en toen aan het roer staande, vooruit ten loever [= aan de loef- of bovenwindse zijde] van het boord enige draaiingen in ’t water heeft gezien. Dat hij daarop tegen zijn maat zei ‘Ei zie, wat is dat?’ en toen tevens ook de wind in de zeilen gevallen was en zij plotseling omlagen. Dat ze even voor het [on]geval, zo veel wind niet hebben gehad als reeds daarvoor.
Dat hij daarop met de andere overgeblevenen op het buiten boord van het schip is geklommen en daar [is] gebleven tot het donker werd, en zij toen met een vissers schuit naar Schokland zijn gebracht. Dat zij op het schip zittende, en nog horend dat er leven in was, met de haak rond om hebben gevoeld om te zien of [zij] die mensen nog helpen konden, doch te vergeefs.
Dat hij voort van Schokland naar Zwolle is gevaren, om schepen te halen en verder van het verder gepasseerde niets weet, omdat hij hier gebleven is.
Actum onder ede naar stadsrecht. Corum, schepen W.A. Greven. (Handtekening …)

1745, 20 oktober
[…] Gehoord Frans Valk, varende als knecht op het schip van Jacob de Boer, heeft verklaard, dat hij afgelopen donderdag van hier met dat schip op Amsterdam is gevaren. Dat hij aan het schip niets bespeurd heeft, noch dat er meer wind is geweest dan vaarbaar weer, al was er wel een stevige wester geweest, doch de ene tijd meer dan de andere tijd. Dat hij met het schip komende tot buiten het gat van Ens en over bakboord zeilende even voor het schip uit ‘ten loeven van het boord’ [loefzijde: de kant waar de wind vandaan komt] enige draaiingen in het water had gezien. Dat, zodra als hij dit gezien had de wind in de zeilen ook aanstonds is gevallen en het schip direct is omgeslagen. Dat hij het zeil, fok en kleine kluiver had bij gehad en meer zeilen niet.
Dat de Steenwijker[beurt]man, die voor uit was, en de Hasseler[beurt]man, die even achter voeren, evenveel zeilen als zij op hebben gehad, behalve dat het de Hasselerman geen belet heeft gehad, en zijn blijven zeilen. Dat hij met zijn maat Valentijn Patzen en de jongen alleen boven is geweest. Dat hij met het overige volk op de zijkant van het schip is geklommen, en daar is afgehaald door een vissersschuit, en naar Schokland is gebracht. Hij had toen verscheidenen horen kermen en gepoogd te helpen, doch zonder effect.
Dat hij ‘s nachts verder, om ongeveer 12 uur, met drie Schokkers, zijn schipper, en Arent Hagedoorn met een schuit naar het schip zijn gevaren, en [omdat zij] daar niet bij konden komen door de hevigheid van de wind hebben zij het anker bij het schip laten zakken.
Dat toen de dag aanbraken zij haar met de schuit aan de top van het spriet en de mast hebben vastgemaakt. Dichter bij het schip konden zij niet komen.
Dat zij daar tot des namiddags ongeveer twee uren zijn blijven liggen en toen een tweede schuit met Schokkers bij hen is gekomen. Dat hij daarop met de bemanning van het schip, dat inmiddels was losgeraakt, terug naar Schokland is gezeild, toen hun 3 à 4 schuiten zijn tegen gehouden, die naar het schip gingen. Dat hij in ’t schip toen geen gekerm of geroep gehoord heeft; het waaide heel vinnig.
Dat hij op zaterdagmorgen eerst wederom met Jan Schouten’s schip daar naar toe is gevaren en het schip uit de grond heeft getrokken. <5>
Actum onder ede naar stadsrecht. Corum, schepen W.A. Greven. (Handtekening …)

1745, 20 oktober
[…] Gehoord Jan Hendrik Coldemeijer uit het graafschap Lingen, oud 17 jaar, die zei, dat afgelopen donderdag van hier met de veerman op Amsterdam is gevaren.
Dat hij in de roef heeft gezeten en even buiten Schokland geomen met het schip is omgeslagen, menende dat het schip overhelde.
Dat hij zich van achter aan een hardloper, die ook in het roef was, heeft vastgehouden, en er zo uitgekomen en buiten op de zijde van het schip is geklommen.
Dat hij daarop zittende heeft gezien dat ene van de schippers bezig was met een os, die ook in ’t schip was, vast te maken, terwijl de anderen bezig waren om de zwemmende mensen nog te helpen, wat die schipper nadat hij de os vast had, ook heeft gedaan.
Dat zij met een vissersschuit daar af zijn gehaald en naar Schokland gebracht, daar 2 dagen gebleven zijn.
Dat de loper met anderen aldaar de volgende dag ‘s morgens een schuit hebben afgehuurd, om naar het schip te zeilen om het goed en mensen die zij krijgen konden af te halen.
Dat hij de loper, en een soldaat, die laatst daar ook mee heen geweest was, heeft horen zeggen dat de schipper zou gezegd hebben, dat ‘waar het schip bleef, het goed ook zou blijven’, en daarom onverrichte zake terug waren gekomen.
Dat hij hen mede heeft horen zeggen, dat er toen nog 2 à 3 levende mensen in het schip gehoord waren. Dat hij buiten op het schip zittende en vragende of er wel een schip zou komen, om hen af te halen, hij van een van de schippers het antwoord had gekregen, dat hij z’n mond moest houden of hij zou hem op de neus slaan.
Actum onder ede naar stadsrecht. Corum, schepen W.A. Greven. (Handtekening …)

1745, 20 oktober
[…] Gehoord Berend Hillebrand van Rekkelinghausen uit Tecklenburg oud 18 jaar die zei dat [hij] afgelopen donderdag van hier met de veerman is gevaren en even buiten Schokland gekomen zijnde met het schip is omgeslagen.
Dat hij de laatste is geweest die uit de roef gekomen is en dat de anderen, die daarin na hem gebleven zijn; zij moeten door het opdrijven van de planken naar beneden zijn gevallen.
Dat hij met de verdere overgeblevene met een Schokker vissersschuit daar is afgehaald en gebracht naar Schokland, alwaar hij 2 dagen gebleven is.
Dat des anderen daags de loper van Almelo met nog anderen een schuit voor 6 gulden hebben afgehuurd om naar het schip te varen om er goed uit te halen, als ze [dat] konden.
Dat hij daarna heeft horen zeggen dat de schuit onverrichter zake terug was gekomen, omdat de schipper dat niet wilde hebben, maar gezegd zou hebben dat waar het schip bleef het goed ook zou blijven en dat hij ook voor de schade niet wilde instaan.
Dat hij ook nog heeft horen zeggen dat hij die mensen toen nog kermend in ’t schip zou gehoord hebben.Dat de schipper geen vrachtloon van hem geëist heeft, en dat hij van het schip gaande ook nog stemmen in het schip gehoord heeft, [ maar hen] kon de schipper niet helpen.
Dat hij op Schokland zijnde de schipper tegen de kooplieden heeft horen zeggen dat zij hem ten volle moesten belonen om zijn geleden schade. Dat de genoemde kooplieden daarop geantwoord hadden, hoe dat te pas zou komen daar zij meer schade hadden geleden dan hij. Dat zij daarover bijna woorden over gekregen zouden hebben.
Actum onder ede naar stadsrecht. Corum, schepen W.A. Greven. (Handtekening …)

1745, 20 oktober.
[…] Gehoord Jan Cantel uit Minden [‘Minnen’] in ’t Keulse die zei dat afgelopen donderdag hij van hier met de veerman op Amsterdam is gevaren, en dat dit voor de eerste maal is, dat [hij] over zee is gegaan.<6>
Dat zij even buiten Schokland gekomen zijnde en het schip over de andere boeg gelegd (‘overgelegd’,) hebben, het schip is omgeslagen. Zo is hem gezegd; zelf was hij onder in geweest.
Daar het schip omlag heeft hij zich vastgehouden ‘aan een vrouwspersoon, welke wederom de schipper vast had, om geholpen te worden.’
Dat de schipper, terwijl die bezig was mensen te helpen, tegen hem en een ander maat, gezegd had, dat hij los [hem] moest laten. Doch dit had hij niet gedaan had, maar gezegd, dat de schipper hem toch wilde helpen, wat deze ook gedaan had.
Dat [toen] het schip omlag, en hij op het boord zat, de schipper met de haak in ’t ruim heeft getast om de nog krijsende mensen te helpen, doch tevergeefs.
Dat zij daarop met een Schokker schuit zijn afgehaald, en naar Schokland gebracht, en hij in de Hasselerman overgezet, en naar Amsterdam gevaren is.
Dat de schipper van het verongelukte schip nog het vrachtgeld ad 10 stuiver van hem heeft willen hebben, doch hij niets betaald heeft. <7>
Actum onder ede naar stadsrecht. Corum, schepen W.A. Greven. (Handtekening …)

1745, 25 oktober
[…] Gehoord schout Willem van de Zuider Buurt [op Schokland] die zei dat hij afgelopen vrijdag en 8 dagen geleden, toen daags tevoren de Zwolse veerman even buiten Schokland was omgeslagen, des middags om 12 uren met Louwe Claes bij het voornoemde schip is gekomen. Dat hij aldaar nog gevonden heeft twee dito schuiten als de zijne en nog een grotere.
Dat hij door de schipper gevraagd zijnde om te willen helpen helpen, hij daarop zijn dreggetouw heeft overgeworpen. Dat hij daarop met de andere schuiten aan het slepen is gegaan, doch niet vorderende daar van afgezeild en des avonds wederom aan het land is gekomen. Dat hij geen leven in het schip gehoord heeft, als zijnde daar aan niet geweest, en dat bijgevolg over het hakken van het schip met hem niet is gesproken.
Actum onder ede naar stadsrecht. Corum, schepen J.H. Tobias. (Handtekening …)

1745, 25 oktober
[…] Gehoord Hermen Michiels alias Jas, wonende te Emmeloord, die zei dat hij afgelopen vrijdag 8 dagen, op de dag nadat de Zwolse veerman was omgeslagen, in het Gat van Urk is wezen vissen.
Dat hij gehoord hebbende van andere schippers, dat er een Zwolse veerman was omgeslagen, daarop met nog een schuit daar naar toe is gezeild. Dat hij bij het schip gekomen zijnde het omgeslagen schip hebben gepoogd te helpen, doch tevergeefs. Dat hij daarna bij het rustiger wordende [‘aanstillende’] weer steeds aan en op het schip des middags ongeveer 4 uren naast de schipper Jacob gekomen zijnde, genoemde schipper tegen hem gezegd had, dat er nog leven in was. Dat hij daarop dit ook met zijn eigen oren gehoord had en [zei] dat zij toen aan het hakken moesten gaan. Dat de schipper dit aan hen had geweigerd en gezegd had dit niet te willen hebben en ook dat hij dat nieuwe schip niet bedorven wilde hebben en niet wisten, wat er aan geld in ‘t schip zat. Dat zij daarop gezegd hadden dat zij daar niets [meer] hadden te doen, en daaropvolgend weer van het schip waren af- en weggegaan.
Actum onder ede naar stadsrecht. Corum, schepen W.A. Greven. (Handtekening …)

1745, 25 oktober
Gehoord Hermen Herms alias Sul uit Emmeloord, die zei dat hij afgelopen vrijdag 8 dagen geleden, de dag nadat de Zwolse veerman was omgeslagen, des namiddags met andere schuiten aan dat schip is geweest.
Dat hij met de schipper Jacob op het schip zijnde, de schipper tegen hen gezegd had ‘Mijn God ! Jongens, daar zijn nog levendige zielen in!’Dat zij daarop gezegd hadden, ‘kom aan, dan moeten wij aan het hakken gaan.’ Dat de schipper zulks niet heeft willen hebben, zeggende het schip niet bedorven te willen hebben en dat zij er ook niet door konden komen. Dat zij daarop van het schip waren afgegaan en het gebeurde aan het land aan andere Zwolse schippers en andere mensen hadden verteld. Dat voordat hij van het schip afgegaan was, met zijn oren nog leven in het schip gehoord heeft, en van het schip is afgegaan om het gekerm niet langer te horen.
Actum onder ede als naar stadsrecht. Coram, schepen W.A. Greven. (Handtekening …)

1745, 25 oktober
Gehoord Lubbert Hendriks uit Emmeloord die zei dat afgelopen vrijdag 8 dagen geleden bij Zwolse veerman die daags tevoren omgeslagen was met zijn schuit is geweest.
Dat hij met meer schuiten, het schip heeft proberen te helpen, doch tevergeefs. Dat hij daarna toen het weer wat meer bedaarde zelf aan en op het schip naast de schipper is geweest.
Dat de schipper, zei in het schip nog gekerm te horen, en dat hij dit zelf ook gehoord heeft, daar zij daar tezamen gezegd hadden, ‘dan moeten wij aan het hakken gaan’.
Dat de schipper zulks niet heeft willen hebben en zij er daarop van waren weggegaan.
Actum onder ede als naar stadsrecht. Corum, schepen W.A. Greven.

1745, 25 oktober
[….] Gehoord Louwe Derks uit Emmeloord die zegt, dat hij afgelopen vrijdag 8 dagen geleden, aan het Zwolse schip, dat des daags tevoren was omgeslagen, met andere schuiten is geweest.
Dat zij het eerst hebben gepoogd te slepen, doch tevergeefs. Dat hij naderhand met de anderen bij het aanstillende weer aan en op het schip met de schipper is geweest.
Dat de schipper tegen hen gezegd heeft nog gekerm in het schip te horen hij dit zelf ook gehoord heeft. Dat zij daarop gezegd hadden, dat dan aan het hakken te wilden gaan, doch dat de schipper dit niet heeft willen hebben, zeggende dat er niet door konden komen. Dat zij daarop, en om het gekerm niet langer te horen, zijn weggegaan.
Actum onder ede als naar stadsrecht. Corum, schepen W.A. Greven
(Handtekening …)

1745, 25 oktober
Gehoord Willem Claassen uit Emmeloord die zegt, dat hij afgelopen vrijdag acht dagen geleden bj het Zwolse schip, dat des daags tevoren in zee was omgeslagen, met zijn schuit is geweest.
Dat hij het zelf met andere schuiten eerst heeft geprobeerd te helpen, doch tevergeefs. Dat hij daarna in de namiddag bij het aanstillende weer zelf naast de schipper op het schip is geweest en de schipper, zeggende nog gekerm in het schip te horen, hij dit vervolgens ook zelf gehoord heeft. Dat zij daarop gezegd hadden dat zij dan aan het hakken moesten gaan, de schipper dit niet heeft willen hebben. Dat zij om het gekerm niet langer te horen van het schip waren weggegaan, en weggezeild.
Actum onder ede als naar stadsrecht. Coram schepen,W.A. Greven.
(Handtekening …)

1745, 26 oktober
Gehoord Jan Janssen alias Garssen die zei dat hij afgelopen donderdag en 8 dagen des avonds de Zwolse veerman Jacob de Boer wiens schip die middag was omgeslagen, bij hem aan de Molenbuurt [op Schokland] is gekomen en hem heeft verzocht met zijn schuit naar zijn schip te varen.
Dat zij daarop daarheen zijn gevaren en aldaar de dregge [=ankertje] vallen en zijn blijven liggen tot vrijdag namiddag om ongeveer vier uren, toen het weer wat bedaarde.
Dat zij toen aan en op het schip zijn gekomen, en nog leven in het schip zelf hebben gehoord hebben, zonder te kunnen zeggen of er zich 2, 3 of 4 of meer personen in bevonden.
Dat zij daarop bij de andere Schokkers tegen de schipper gezegd had, dan moeten wij aan hakken gaan, en of wij hem niet helpen konden.
Dat de schipper dit niet heeft willen toelaten, omdat hij zei dat zij er niet door konden komen, want het was ‘boute aan boute en inhout aan inhout.’ <8>
Dat hij echter daarop aanhield en zei ’dan willen wij ten minste zin, hoever wij komen kunnen’, [maar] de schipper bij zijn weigering was gebleven. Dat de andere Schokkers daarop waren weg gezeild, doch hij met zijn schuit [was] gebleven. Dat een ruim uur daarna de zoon van de schipper met een schip en enig volk van Amsterdam is gekomen, en [toen] die begreep [‘verstaande’] dat er nog levende in was, aanstonds aan het hakken was gegaan en [er] nog een mens levend uit [had] gehaald. Dat hij even voor het hakken nog meer leven in het schip heeft gehoord, doch daarna niet.
Actum onder ede als naar stadsrecht. Coram schepen Berg.
(Handtekening …)

1745, 26 oktober
[…] Gehoord Jan Willems van de Molenbuurt die zei dat hij in de nacht tussen donderdag en verder toen de Zwolse veerschipper Jacob de Boer die middag in zee met zijn schip was omgeslagen en hij aan het land gekomen met dezelven, en 2 kameraden naar het schip is gezeild.
Dat hij bij het schip gekomen zijnde de dreg heeft moeten laten vallen, omdat zij wegens de harde wind niet aan het schip – konden komen. Dat zij vrijdags middag tegen 4 uren ongeveer, het weer wat bedarende, de dreg hebben gelicht en aan het schip zijn gevaren. Dat de schipper met zijn 2 kameraden op het schip zijn geklommen, die vooraan op hun schuit waren gebleven.
Dat zij tezamen, toen nog leven in het schip gehoord hebben, zonder te kunnen zeggen, hoe veel en tegen de schipper gezegd, dat als zij aan het hakken wilden gaan met hun klein bijltje, dat zij bij zich hadden, willen. Dat de schipper daarop, geantwoord had, dat dit niet zou lukken, omdat het schip bout aan bout was en inhout aan inhout [was gebouwd]. Dat een van zijn kameraden daarop weer gezegd had, ‘dan laat ons ten minste bezien, hoe ver wij komen kunnen, en of wij geen gat kunnen maken’. Dat daarop de schipper wederom gerepliceerd had ‘Jongens wat zult gij aan hakken gaan! Gij kunt er toch niet door of in komen.’ Dat het daarop dan bij gebleven was en er niet gehakt was geworden. Dat de zoon van de schipper van Amsterdam met een man of wat kort daarna is gekomen. Dat, toen die begreep dat en nog leven in het schip was, zij tezamen aan het hakken waren gegaan zo met zijn [tweeën] en andere instrumenten, die de zoon mee had gebracht en een gat in het schip gemaakt en nog een levend mens daar hebben uitgehaald. De zoon had vooraf gezegd ‘wij zullen zien, dat wij er een gat in krijgen, al zouden wij het schip aan stukken slaan’. Dat hij zelf werkelijk, daar op het schip niet is geweest, maar in zijne schuit is gebleven, om dit vast te houden.
Actum onder ede als naar stadsrecht. Coram, schepen Berg.
(Handtekening …)

1745, 20 oktober
[…] Gehoord Jan Willems Bos uit de Molenbuurt die zei dat in de nacht tussen vrijdag en donderdag toen die middag de Zwolse veerman Jacob de Boer in zee met zijn schip was omgeslagen, en hij aan het land gekomen met dezelve en zijn kameraden naar hem [toe] is geleid.
Dat zij daar gekomen, zijn dreg heeft moeten laten vallen, omdat zij niet bij het schip niet konden komen wegens de harde wind. Dat vrijdag des namiddags om ongeveer 4 uren toen het weer wat bedaarde, aan het schip zijn gekomen, en daar op zijn geklommen. Dat zij horende, dat er leven in was, zonder te weten of [er] 2, 3 of 4 waren, tegen de schipper gezegd hadden, wij moeten met onze bijltjes, die zij zich hadden, aan het hakken gaan en een gat in het schip zien te krijgen, om die mensen te redden. Dat de schipper, daarop gezegd had dat dit niet te kon lukken, omdat het schip, bout aan bout was en inhout aan inhout. Dat zij daarop evenwel aangedrongen hadden en gezegd dan willen wij ten minste zien hoever wij komen kunnen, want als wij dat niet doen, dan zijn wij de oorzaak van de dood van drie mensen en dat wij het wel [eens] zouden zien of zij in een schip, al was het nog zo sterk, er geen gat zouden kunnen krijgen. Dat de schipper daar op eerst gezegd had, ‘wel beziet het dan’, doch direct wederom bij zijn vorige stelling gebleven is, dat het niet lukken zou. Dat het daarom dan ook vervolgens niet geschied was, en de andere schuiten waren weg gezeild, doch hij met zijn schuit daar bij gebleven was, totdat de zoon van de schipper, kort daarna, met een schip en een man of wat en enige instrumenten van Amsterdam daar bij is gekomen. Toen die begreep dat er nog leven in het schip was, gezegd had ,,dan wij moeten aan het hakken gaan”, gelijk zij dan ook gedaan hadden, was er nog een levend mens uitgehaald.
Actum onder ede als naar stadsrecht. Coram, schepen Berg.
(Handtekening …)

1745 26 oktober
[…] Gehoord Christiaan de Zee, die zei, dat hij afgelopen vrijdag, acht dagen geleden, toen het daags te voren het schip van Jacob de Boer in zee omgeslagen was, te Amsterdam met zijn schip zijnde, ‘s morgens om half elf door Jan de Boer is afgehuurd om naar het genoemde schip te zeilen.
Dat hij daarop met Jan de Boer en vier mensen van Amsterdam naar het schip is gezeild, […] en tegen de avond daarbij [is] gekomen. Dat daarop Jan de Boer en die vier man [… ] alleen [naar] het schip zijn gevaren, en gehoord hebbende, dat er nog leven in was, en zij geloofden van twee, genoemde Jan de Boer gezegd had ‘komt aan dan moeten wij aanstonds aan het hakken gaan’, gelijk dan ook gedaan hebben en er nog een man van zeventig uitgehaald en aan boord gebracht [hadden]. Dat zij, nadat het gat gemaakt w,s geen levende stemmen meer gehoord hadden.
Dat hij, omdat hij er niet is geweest, maar op zijn schip is gebleven, om daar op te passen vanwege [de wind, die] redelijk sterk uit het N.W. waaide. Dat Jacob de Boer daar eveneens niet bij is geweest, maar eerst uit een Schokkerschuit is overgebracht in zijn schip. Dat daar, terwijl de anderen aan het hakken waren, Jacob de Boer hem gezegd heeft dat niet geloofde, dat zij er door zouden komen.
Actum onder ede als naar stadsrecht. Coram, schepen W.A. Greven.
(Handtekening …)

24 oktober 1745
Weledele Hoogachtbare Heren
Mijne Heren
Burgemeester en Schepenen en de Raden der Stad Zwolle

Jacob de Boer geeft met de uiterste ootmoed te kennen hoe hij met de grootste ontroering en de verbaasdheid, ja dusdanig dat hem de schrik van het bekende hem overkomen ongeluk en de hem daardoor aandoende ‘quale en ziekte’ niet kan overwinnen en zich dus buiten staat gesteld vindt [om] uw Weledele Hoog Achtbare mondeling verslag te kunnen doen, verneemt, dat hem ten laste gelegd wordt dat hij de oorzaak van het droevig omkomen van zo veel zielen zou zijn. En omdat ondergetekende van ’t tegendeel in zijn gemoed niet alleen overtuigd is, maar ook met die onpartijdig een ieder die er van den beginne af aan tot hulp [‘secours’] bij zijn geweest, het zelf kan bewijzen; daarom neemt ondergetekende de vrijheid het geval zo als het in zijn ware omstandigheden gepasseerd is, bij deze aan Uw Weledel Hoog Achtbaren voor te dragen op volgende manieren.
Nadat het schip ongeveer en uur voor zonsondergang was omgeslagen waarvan de oorzaak [‘que modo et quo caso’] ondergetekende onbekend [is] (omdat hij zich in het ruim bevond), doch bij gissing door een waterhoos, was dadelijk het schip vol water. Ondergetekende boven komende, vond daar niemand, behalve zijn knecht Valentijn Potzer, waarna ondergetekende zich op het zwaard [heeft] gezet en een haak gegrepen terwijl hij door zijn knecht bij het buis werd vast gehouden. Alle boven komen drijvende mensen, elf, beval hij hun zielen toch alle aan God op te offeren, want hij had zelf geen enkele gedachte of verwachting, ofschoon hij op ’t wrak zat, dat zij [niet] zouden omkomen. Toen hij de knecht had gevraagd of er geen vaartuigen naar hen toe kwamen en deze antwoordde ‘daar komt een vaartuig naar ons toe’, wat een Durgerdammer visser was, gelastte hij allen om recht overeind te gaan staan ten einde door deze goed gezien te kunnen worden. Dat die visser - de zon was reeds onder - bij het wrak komende allen verzorgd en gesmeekt [‘gebeden’] heeft ‘tot verhoeding’ van ongeluk niet te schielijk maar één voor één over te stappen. Dat toen de mensen allen in de schuit zijnde en ondergetekende alleen op ’t wrak zittende, de visser bij hem op ’t wrak is gekomen om hen die nog bezig waren om te vissen naar mensen mee heeft helpen vissen, doch met bijvoeging ‘schipper de mensen zijn allen zo nat’, dat ook zouden moeten overnemen. ‘Wij moeten weg kom over of ik zeil weg’. Dat ondergetekende overgestapt zijnde en met die schuit en geborgen passagiers naar de Molenbuurt is gezeild waar om zij [om] ongeveer acht uur zijn geland.
Dat hij toen aanstonds een schuit heeft afgehuurd en met zijn knecht Frans naar het wrak is gevaren en de andere Valentijn met een schuit daarheen zijn gezonden. Dat de schippers daarvan, Jan Kok en Jan Carste, en nog een derde Schokker wiens naam hem onbekend en ook in de schuit is geweest en Arent Hagedoorn uit Almelo. Dat zij ongeveer ’s nachts om drie uur bij het wrak komende, aldaar het anker hebben laten vallen en zijn blijven liggen tot de dag en toen het anker gelicht en naar het wrak zijn gevaren en de schuit aan de mast en spriet hebben vastgemaakt, en zijn blijven liggen om op de goederen die er kwamen uitdrijven te passen en daarvan ook enige geborgen hebben zonder te weten of er nog leven in het wrak was. Dat ’s morgens om ongeveer 9 uur een andere Schokker schuit bij het wrak is gekomen om buit te zoeken, maar omdat dit niet lukte, is deze met Arent Hagedoorn weer naar het land terug gezeild, alsook met de knecht van ondergetekende, mede voerende het roer van het schip. Toen - na ongeveer twaalf uur - zijn er nog vier schuiten aan het wrak gekomen die het wrak wilden slepen, onder aanbod van ondergetekende van een eerlijke beloning in geval ze dit te konden doen. Dat ondergetekende de hoofdtouwen genomen en alles te dien einde gedaan hebbende, maar dat het slepen vruchteloos is geweest.
Dat ondergetekende hierna met zijn afgehuurde schuit weer bij het wrak gevaren zijnde en ontdekkende dat er nog leven in was, [heeft] gezegd ‘mijn God daar is nog leven in’. Toen is de afgehuurde schipper dadelijk bij hem op ’t wrak gekomen. Dat hierna nog drie à vier van die genoemde schokker schuiten welke aan de afgehuurde van ondergetekende zo lang hadden vastgehouden bij ondergetekende op het wrak zijn komen luisteren. En er onderling gisten dat ze nog twee of drie ‘levendigen’ hoorden. Dat er toen door enigen gezegd is dan moeten wij een gat in het schip kappen, waarop ondergetekende geantwoord heeft ,,mijn God mannen hebt gij gereedschap’’ en geantwoord zijnde ,,wij hebben een bijl” gezegd heeft ,,ziet gij er kans toe ik ‘geef handen en voeten’ verlos hen” <9>, aanwijzende de beste plaats gezien de fabriceerwijze [van het schip], doch na hun dispuit [concludeerden ze] dat het met hun bijltjes niet zou lukken, en ze liepen toen weer over in hun schuiten en vroegen om te [mogen gaan] vissen. Hoewel ondergetekende dat weigerde, zijn die vier schuiten weggevaren. [Hij vroeg] aan de nog bij hem staande voornoemde drie Schokkers om hen weer terug te roepen en ze te vragen of zij nog kans zagen, waarop Jan Kok antwoordde ‘zij zullen nu niet weer komen’. Dat niet wel een uur daarna het schip van [de Zwolse beurtschipper] Christiaan de Zee is gekomen die de zoon van ondergetekende meebracht en allerhande gereedschap. Dat ondergetekende bekend makende dat ‘r nog leven in het schip was, zijn zoon dadelijk bij het wrak met gereedschap is gevaren en op ’t aanwijzen van ondergetekende er dadelijk een gat in gemaakt [heeft], daaraan werkende tot ‘s avonds acht uur. Toen alles in orde was, is ondergetekende naar Emmeloord gevaren, en aldaar is in presentie van de schoolmeester en schout door voornoemde twee getuigen gezegd en verklaard: hoe kunt gij lieden de man beschuldigen ‘hij heeft handen en voeten los gegeven’.
Zwolle 24 oktober 1745.

Remonstrase
Voor Jacob de Boer
in handen van de H.H. […] om daarvan naast de andere stukken rapport te doen.
24 oktober 1745
(Handtekening …)

Intermezzo

Het ongeluk werd vermoedelijk veroorzaakt door een waterhoos. Dat is een klein trechtervormig slurfje veroorzaakt door snel draaiende luchtbewegingen. Waar zo’n slurf lokaal het wateroppervlak raakt en water opzuigt wordt het een waterhoos genoemd. Waterhozen komen vooral in de zomer en het najaar voor. Het windveld bij een waterhoos is in de regel veel minder sterk dan bij windhozen, maar sterk genoeg om voorzichtigheid in acht te nemen.

25 oktober 1745
Doorluchtige Hoog-Geboren ….. Heere De Here Prince van Oranien en Nassau Etc etc
en Stadhouder van de provincie van Overijssel
[…]
Wij hebben gezien en in onze vergadering gelezen zeker recht door enen Jacob de Boer aan Uwe Doorluchtige Hoogheid gepresenteerd. Waar op het Uwe Doorluchtige Hoogheid behaagd heeft voor een schikking in rechte [‘appointement’] af te geven dat dit zou worden gesteld in onze handen om UDH daar op te dienen van ons belang. En uit diepe eerbied voor UDH en [… door ons] hoogst gerespecteerd, hebben wij de eer UDH bij deze kort en allereerbiedigst voor te dragen [..] het daarbij gemelde ongeluk van het omslaan van het schip van Jacob de Boer op 14 oktober 1745 en hoe daardoor vele mensen jammerlijk waren omgekomen welke wij in die zaak gevonden hebben die van dien aard was dat deze zulke nadelige gevolgen voor onze scheepvaart en koophandel met zich mee heeft gesleept. Dat wij het onze plicht geacht hebben op het omslaan van dat schip en de omstandigheden van dien nauwkeurig navraag te doen [‘te inquireren’]. Om dit na behoren te kunnen doen zou voor de aanwezigheid van de schipper hoogst noodzakelijk zijn geweest, doch die zich afwezig [‘absent’] houdende, hebben wij daar over genomen de informatie, die wij de eer hebben bij dezen onze opinies toe te zenden. Daaruit is ons gebleken, dat de schipper Jacob de Boer zijn plicht in verscheiden opzichten in zeer grove mate te buiten zou zijn gegaan en door zijn toedoen […] belet heeft, dat niet meer mensen behouden en in het leven gebleven waren. Zo hebben wij, dewijl deze zich voortvluchtig [‘fugitief’] bleef houden, geschreven aan de edele Grootst Achtbare Magistraat der Stad Amsterdam, in het vermoeden dat hij zich aldaar bij zijn zoon ophield, met het verzoek om hem te doen arresteren [‘apprehenderen’] en ons daar van kennis te geven, en omdat haar EGA hem niet hebben kunnen pakken [‘machtig worden’], en wij echter meenden in deze zaken niet verder te moeten voort procederen voor en aleer wij de schipper zelf present hadden, hebben wij om die zich nog voortvluchtig houdende te bekomen, dit in de couranten doen stellen, met belofte van een premie voor diegene die hem zodanig zou weten aan te brengen, dat hij in onze handen zou geraken. Edoch daar zulks nog niet is geëffectueerd, hebben wij gemeend de verdere procedure te moeten stilzetten.
Het is wel waar dat hij, zoals hij in zijn rekwest aan UDH gepresenteerd poseert, die na gepresenteerd heeft te zullen verschijnen, mits dat hem vergund mocht worden onbelemmerd [perled Vocatum et proccusatosem] zich te verdedigen. Maar wij hebben op dit van voorwaarden en beperkingen voorzien aanbod van hem geen reactie kunnen geven, of dit kunnen aannemen, omdat die manier van procederen in criminele zaken die bij ons gebruikelijk is, met zich mee brengt dat een misdadiger, die in hechtenis is gekomen, niet plechtig voor de vierschaar wordt beslecht, en door een advocaat verdedigd [‘gedefendeerd’] wordt, maar dat schepenen en raden, na ingewonnen bewijs, en verhoor van de gevangene, en na zijn bekentenis verstaan te hebben, over de zaak te besluiten, wat zij dat volgens de door hun gedane eed, naar recht, reden en omstandigheden van zaken vinden en het landrecht zelf, waarop hij zich bij zijn recht aan UDH zich beroept - ofschoon abusief omdat de manier van procederen in criminele zaken in de kleinere steden en ten platten lande, waar het landrecht vigeert, geheel verschilt naar de wijze van procederen in criminele zaken bij ons - geenszins een gevangene, aanstonds na zijn in beroep gaan [‘in cassatie], vaker pas na zijn crimineel verhoor een advocaat vergund en Jacob de Boer aanstonds, bij zijn verschijnen voor ons een advocaat pretendeerde te gebruiken.
Dus vertrouwen wij dat het UDH duidelijk blijkt, dat zij het uiterst kwaadaardig vinden, dat de ondergetekende niet schroomt voor te wenden dat hij zich nooit bij ons heeft kunnen verdedigen, daar hij nochtans zich nooit in persoon voor ons is verschenen, en zijn gepretendeerde ‘defensie’ derhalve enig en alleen door zijn [eigen] schuld is achterwege gebleven. Wij kunnen in gemoede verklaren dat wij nooit gedacht hebben hem in zijn defensie te verkorten, maar altoos gezind geweest zijn en blijven hem, zich in hechtenis gevende, [dit’] dezelve onverminderd te laten doen. Verzoekend aller eerbniedisgst dat het UDH moge ons in deze zaak na de in justitiële in hechtenis name, [zoals] bij ons gebruikelijk, verder te laten handelen [de brief van] de schipper Jacob de Boer af te wijzen, en [hem] zijn verzoek te ontzeggen. Wij eindigen bij dezen, God Almachtig vriendelijk biddend en smekend UDH te willen houden in Zijn heilige bescherming en diens Hoogst Dierbare persoon met alle gewenste zegeningen te willen volgen.

Zwolle 25 oktober 1749
Doorluchtige Hoog-Geboren Prins
De Heer
Uwe Hoogheids Dienstwillige
Goede Vrienden en Dienaren

Burgemeester en Schepenen en de Raden der Stad Zwolle

Ter ordonnantie van dezen

[…..], Secretaris.

… 26 oktober ’s ochtends ongeveer 10 uur met deze brief verzonden rekwest om aan de H. Baron v. Heiden, of welke H. anders de brieven [die] aan zijne Hoogheid [worden] gericht ontvangen, deze brief uit Zwolle [met bijlagen] vannacht te overhandigen.

Toelichting

De archiefteksten zijn omgezet in hedendaags Nederlands. Tussen de haken [ ] zijn weglatingen, toevoegingen, toelichtingen en letterlijke weergaven aangeduid.

<1> HCO te Zwolle. Stadsarchief Zwolle, T700, inv. nr. 3871.
<2> Hendrik Morre, geboren ca. 1695. Riemer van Zwartsluis, Koster te Vollenhove, schout van Emmeloord (1845). Een riemer snijdt turf in lange smalle stroken, ter dikte van een turf.
<3> Bevergen, plaatsje halverwege Bentheim en Osnabrück.
<4> Steinheim, plaats halverwege Osnabrück en Kassel.
<5> Jan Schouten was wellicht de beurtschipper die onder die naam in 1756 voorkomt op het Register van loting om de beurten van der Zwolse karveelschippers voor het veer op Haarlem en Leiden (1756-1863). HCO, Stadsarchief Zwolle T.700, inv. nr. 1619.
<6> Minden, plaats halverwege Osnabrück en Hannover.
<7> ’s Winters was het beurttarief 10 stuiver per hoofd en voor inwoners van Zwolle, Kampen, Hasselt, Genemuiden en Zwartsluis 9 stuivers.
<8> Inhouten: de “ribben” van een schip.
<9> ‘hand ende voet afdoen van’ = van zijn recht op iets afzien.

Afbeeldingen
1. Impressie van een omslaand schip (G. van Hezel).
2. Detail van een kaart van Nico ten Have (1690).
3. Het Rodetorenplein, de haven van Zwolle, in 1782. Jan Derk Jan van Elten (1750-1807), Stedelijk Museum Zwolle.
4. Sjouwers op het Rodetorenplein. Cornelis Felix, 1825, Stedelijk Museum Zwolle.
5. Karvelen passeren de zuidpunt van Schokland in 1729. Links nabij de kerk de voorbaak. Collectie HCO.
6. Impressie van het vooronder van een beurtschip. Gerald de Weerdt, NISA.
7. Soldaten en een hannekemaaier in het ruim. Gerard ter Borch de Jonge, ca. 1634. Rijksprentenkabinet.
8. De Kampersteiger in Amsterdam was de ligplaats voor de Zwolse en Kamper karveelschippers. G. Schouten 1770/1775, Gemeentearchief Amsterdam.

Bruno Klappe componeerde op basis van bovenstaand archiefmateriaal het verhaal ‘De omgeslagen Zwolse veerman’ (in Het Schokker Erf, nr. 67, januari 2008, p. 4-17). Hij gaat daarbij uitgebreid in op de genealogische gegevens van de vermelde Schokkers.

Gerrit van Hezel, Zwolle

www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl