ONTVANGEN VAN DEN WIND

tot Ens: 1 pond en 12 stuivers

Bovenstaande regel komt voor in de rekening van de rentmeester van Salland over het jaar 1500. De betrokken rubriek omvat de opbrengsten van de zogenoemde 'heerlijke rechten' in dat jaar. Heerlijke rechten waren oorspronkelijk in de Middeleeuwen rechten van de koning; in de loop der tijden zijn ze met de rechtspraak in leen gegeven aan de landsheren. Deze gaven ze weer in gebruik aan steden of aan personen, die dan jaarlijks voor het recht een bedrag aan huur moesten betalen.

Voorbeelden van dit soort rechten waren in Salland:

Waar de molen gestaan heeft op Schokland, weten we niet precies, maar de naam Molenbuurt of Middelbuurt herinnert er nog aan. In 1555 werd de molen van Ens genoemd als één van de richtpunten van de bebakening. De aanwezigheid van een molen doet de vraag rijzen, of er dan zoveel graan verbouwd werd op Schokland. Waarschijnlijk mogen we die conclusie niet trekken. Dan zou er in de oude archieven wel melding gemaakt zijn van roggepacht (de pacht werd toen nog vaak in natura afgedragen). Wel heeft men aantekeningen gevonden van vaten pachtboter, komende van land te Ens of Emmeloord.

De landbouw op Schokland was in de 15e eeuw al voornamelijk veehouderij. Het eiland was door afslagen al zoveel kleiner geworden, dat veel bewoners op de visserij en de vrachtvaart waren overgestapt. Dat viel moeilijk te combineren met de akkerbouw, die toen nog erg arbeidsintensief was, maar wel met wat veehouderij; die combinatie was al veel vroeger bij de Friezen gebruikelijk. Bovendien was sinds de 14e eeuw het graan niet schaars meer, in de meeste jaren was er voldoende rogge te koop tegen een matige prijs. Moerman en Reyers vonden in het Kamper archief een overeenkomst tussen de stad en de vissers van Emmeloord over de verhuur van visgronden. Eén van de voorwaarden was, dat de vissers de vangst in Kampen ter markt zouden brengen, behalve wanneer ze naar Zwolle of Steenwijk moesten varen om rogge te kopen, dan mochten ze als ruilmiddel vis meenemen. Het graan dat de Schokkers kochten, werd in de 16e eeuw dus op het eiland gemalen. Natuurlijk kon dat ook in Steenwijk of in Zwolle gebeuren, maar dat zal wel duurder geweest zijn, op Schokland was meer wind ! Bovendien zullen de schippers het niet plezierig gevonden hebben om eerst in Steenwijk of in Zwolle bij de molen in de rij te moeten gaan staan, voordat ze naar huis terug konden varen. Bij molens gold immers het principe: wie het eerst komt, het eerst maalt!

In de rentmeesterrekening komen we ook de bede tegen. Vrij vertaald was dit gewoon de belasting, die de overheid hief. Deze werd meestal per stad of dorp opgelegd. De bewoners regelden meestal met hun eigen bestuurders hoe het vereiste bedrag zou worden omgeslagen over de inwoners. Ens betaalde in 1500 aan de bede 7 pond, en Emmeloord 5 pond.
Ens, dat onder Salland behoorde, betaalde verder dat jaar een cijns van 12 pond. Deze cijnzen waren meestal van zeer oude herkomst, meestal waren het rechten, die betaald moesten worden voor het gebruik van de grond.

Emmeloord hoorde niet onder Salland, maar onder het drostambt van Vollenhove. In de rekening van Vollenhove over 1507 wordt nog vermeld, dat de buren van Emmeloord volgens oude registers jaarlijks op Sint-Bonifatiusdag een rente verschuldigd waren van 48 botdragers, een oude muntsoort, die op dat moment een waarde vertegenwoordigde van 2 stuivers. Hier is sprake van een rente zonder nadere aanduiding van de herkomst. Het komt mij voor, dat het hierbij zou kunnen gaan om een afkoopsom van de tienden.
De kerk had sinds de vroege middeleeuwen recht op één tiende deel van de oogst, niet alleen van de gewassen, maar ook van de jonge dieren. Nu hing er veel van af, wie de kerk in die plaats had gesticht. Dat kon een edelman zijn, die ter plaatse veel grond had, of een klooster of een andere kerkelijke instelling. De kerk met de tienden werd soms ook geschonken of geruild. De kerkheer had in principe het recht om de tienden op te halen en het recht om de pastoor te benoemen. Daar stond dan tegenover dat hij er voor moest zorgen dat het kerkgebouw onderhouden werd en in stand bleef. Aanvankelijk was de kerk op Emmeloord een bezit geweest van het klooster te Stavoren, maar volgens Moerman en Reyers was deze door een ruil in het bezit gekomen van de Utrechtse bisschop, en zo is het nog lang gebleven.

Bron: B.W. Braams, De Vriendenkring, voorjaar 1990, pag.5,6,7

www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl