visser haalt sleepnet op

Varen met zandsteen 2

Een wijwaterbekken  en sarcofagen (1024-1425)

Het hart van de mens lijkt sterk op de zee, het heeft zijn stormen, zijn getijden en in zijn diepten verbergt het parels. Vincent van Gogh 1914.
Hoofstuk 1. Een opgevist wijwaterbekken (1400-1425)

Niet alleen vondsten van wrakken op de bodem van de voormalige Zuiderzee, maar ook daar aangetroffen en door het land verspreide zandstenen sarcofagen, doopvonten, tufsteen, leisteen, baksteen en zandsteenblokken wijzen op een eeuwenoude overzeese vrachtvaart. Zoals de vondst van een doopvont door een Schokker visser <1>, wat tot veel speculatie over de ligging van het verdronken dorp Nagele heeft geleid. Wat kan dit doopvont vertellen?

Schokker doopvont1.1 Opgevist

In 1772 deed de Schokker visser Jan Bruinsen Visscher (1751-1842) een opmerkelijke vondst. Hij viste toen ,,tusschen Schokland en Urk op 2/3 van 't eerste en 1/3 van Urk (...) eene plaats in zee, algemeen onder den naam van het kerkhof bekend” een metalen kandelaar op. Diens zoon Jacob Bruins Visscher (1823-1923) vertelde dit aan professor Gregorius Mees toen deze in de zomer van 1846 Schokland bezocht. En in 1776 haalde visser ‘Cock’ - Johannes Jansen Kok (1730-1804) - met een haringsleepnet een loodzwaar wijwaterbekken uit dit zelfde kerkhof omhoog. De foto van dit “doopvont” van “Schokland” in de r.k. St. Brigittakerk te Ommen is genomen door Harry Woertink. Daarnaast staat de tekening die Heinrich Gottfried Haasloop Werner (1793-1864), lid van het Historisch Genootschap te Utrecht, in 1858 van het als geaderd marmer opgeschilderde vont maakte.<2>

1.2 Doopvonten.

Een doopvont (Latijn fons = bron) of doopbekken is een waterbekken voor het bewaren van de doopwater en de toediening van de doop. Het bassin kan gemaakt zijn van hout, (natuur)steen of (edel) metaal. In moderne gebouwen wordt ook wel eens glas als materiaal toegepast.<3> Doopvonten van allerlei steensoorten zijn vervaardigd vanaf de 12e eeuw tot heden. Exemplaren van Bentheimer zandsteen dateren van het eind van de 12e eeuw (Vledder) tot 1425 en zijn vervaardigd in de putten te Bentheim en Gildehausen.<4> De Bentheimer typen zijn over het algemeen plomp en primitief ogend. Onderstaand kaartje geeft een beeld van de verspreiding.<5> De zware objecten werden over grotere afstanden vanwege de vervoerskosten zo veel mogelijk per vaartuig  vervoerd.

De oudste Bentheimer doopvonten lijken op een grote ton (voorbeeld in de St.-Andreaskerk in Emsbüren). Voor de latere doopstenen zijn de contouren in de vierkante voet, de ronde stijl en het bekken karakteristiek.<6> Opmerkelijk is dat Benthimer doopvonten (Taufsteine) van het Romaanse type niet voor lijken te komen in het westen van Friesland en in Noordwest-Overijssel. Er zijn geen vondsten ten westen van de lijnen Otterlo-Ermelo-Hattum-Ommen-Vledder-Roden-Norg-Leeuwarden.

Een aantal heeft het overleefd, sommige in goede staat, of nog weinig beschadigd. Verder resteren er zeven fragmenten, meestal rond de schacht en de basis. Het overgrote deel is gehouwen uit één stuk steen en in voltooide staat via de Vecht of de Eems en de Hunze en vervolgens met karren naar Drenthe en elders vervoerd. Uit het eerste kwart van de 15e eeuw dateren de achtkante vonten in Roderwolde (de grootste van Nederland), Schoonebeek en Zweeloo. Dr. Regnerus Steensma (theologie en religie studies, Groningen) heeft in 2007 de Bentheimer vonten gegroepeerd en gedateerd. 


kaart doopvonten  tekst



 1.3 Vernieling en herbestemming

Doopvonten Den BurgTussen 10 augustus en oktober 1566 vernielden protestanten katholieke heiligenbeelden en objecten op grote schaal (beeldenstorm). Vele kerken werden geschonden en het interieur ervan vernield, zoals bijvoorbeeld in Kampen, waar de koppen van het koorhekken van de St. Nicolaaskerk in 1580 werden afgeslagen.<7> De verscherpte tegenstellingen, die mede daardoor ontstonden leidden indirect tot het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog en de oprichting van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Hoewel de calvinisten de doop als sacrament handhaafden, werden de middeleeuwse doopvonten na de Reformatie aan het gebruik onttrokken. Waarschijnlijk waren ze in de ogen van de protestanten te zeer verbonden met het katholieke verleden waarin het doop omgeven was met magische geloofsvoorstellingen. De meeste vonten werden, voor zover niet kapotgeslagen, na de Reformatie voor profane doeleinden herbestemd; ze vonden een plaats in toren of pastorietuin, als plantenbak, werden gebruikt als drinkbak voor het vee of als koelbak in een smidse. Bij een aantal vonten is de rand van de kuip sterk afgesleten, doordat het werd gebruikt voor het slijpen van bijlen, zeisen, messen en ander gereedschap.

Later namen overheden ten opzichte van andere geloven een steeds pragmatischer houding in en stonden het gebruik door katholieken van schuilkerken steeds meer toe: in eerste instantie oogluikend, later tegen jaarlijkse betaling van enorme sommen geld, de zogenaamde recognitiegelden. In 1798, in de Franse tijd werden alle godsdiensten voor de wet gelijkgesteld. Met de invoering van het koninkrijk der Nederlanden in 1815 bleef dit bestaan. Tussen 1883 - 1896 werden vele vonten aan musea verkocht of geschonken. Sinds 1952 (in Vries) zijn de vonten, op een enkele uitzondering na, in bruikleen in de kerken teruggekeerd.<8>


1.4 Dateringen en het doopvont van Den Burg

Het meest oostelijke doopvont van Bentheimer steen zou volgens een site op Texel te staan. Het getuigt van zeer fraaie steenhouwerskunst. De vier kopjes zouden de vier paradijsstromen - de Tigris, de Eufraat, de Pison en de Gichon - symboliseren.  Het vont is het inmiddels gerestaureerd en staat in de Hervormde kerk van  Den Burg. Het zou uit de 10e of 11e eeuw stammen (zie de foto's).<9> In 1858 was het vont ,,zeer geschonden en afgesleten. Zij is bekkenachtig en achthoekig van vorm; de bovenrand is met eiken bladeren versierd, terwijl de hoeken met thans beschadigde koppen en rozetten zijn voorzien. Zij is uit graauw-grijze steen vervaardigd, en wordt thans jaarlijks te gelijkertijd met de kerk netjes opgewit.”<10>

Schönau Hornkonsolen

De vorm van het bekken lijkt op sommige gotische vormen die zijn toegepast in de consoles in een kapittelzaal van het Duitse Cisterciënzerklooster te Schönau die omstreeks 1300 is gebouwd. De gotiek is de naam voor een middeleeuwse stijl die in de periode 1140-1500 werd toegepast in de beeldende kunsten en de architectuur, maar vooral in kerkgebouwen.  De vorm van het Texelse bekken lijkt op het "gotische" bekken van het doopvont van Schoonebeek dat Regnaldus Steensma in de periode 1400-1425 dateert. Ook de Monumentenraad hield dit vernielde vont 1921 op 15e eeuws: ,,Fragmenten van een zandsteenen doopvont (XV).”<11> Aangezien sprake is van grauw-grijze steen zou het ook uit de compacte, fijnkorrelige Obernkirchener of Bückeberg zandsteen gehouwen kunnen zijn vervaardigd in de stad Obernkirchen op Bückeberg (Noord-Duitsland, ruim 40 km ten zuidwesten van Hannover). Vanuit de haven van Bremen verscheepte men de Bremer steen over de Noordzee. Zowel de Bentheimer als de Bremer zandsteen verwierven een dominante positie in de Noordelijke Nederlanden. De Bremer steen ging ook naar Denemarken, Zweden, Noorwegen, de Baltische staten, Zwitserland en Amerika.<12>



1.5 Gelijkende doopvonten

Doopvonten Zweelo en Schoonebeek 15e eeuw. Op de afbeelding van twee gotische Drentse bekkens van Bentheimer zandsteen staat links het achtkantig wijwaterbekken te Zweelo uit 1400-1425. Rechts het achtkantig doopvont uit Schoonebeek uit dezelfde periode. Een combinatie van beide Drentse exemplaren lijkt nog het meest op het doopvont van Schokland.<13>


Globale vormgelijkenis van het Schokker doopvont is er ook met het verder ontwikkelde, kleurrijk  beschilderde figuratieve doopvont in de kerk van Veilsdorf (Midden Duitsland, tussen Frankfurt am Main en Leipzig) dat uit 1555 dateert.<14> Het bovendeel van het bekken van het Schokker vont is echter veel minder hoog / slanker dan dat van deze vonten. Opvallend is trouwens dat waar vroege Bentheimse exemplaren vaak fraai getuigen van steenhouwerskunst de latere de sporen van 'massaproductie' vertonen.


1.6  Een romaans doopvont?

Over de achtkantige en bekervormige en tamelijk ruw bewerkte, 1,10 meter hoge vont vermeldt de site 'Flevolanderfgoed' dat het een ,,Romaans doopvont [is] dat waarschijnlijk heeft behoord tot de inventaris van de kerk van het oude Nagele dat al in de 13e eeuw was vergaan". De site dateert door die link met Nagele het object in de ,,12e - 13e eeuw"; het  zou gehouwen zijn uit Bentheimer zandsteen.<15>

De kleur van dit doopvont doet het object denken aan een lichte zandsteensoort uit Bentheim: Gildehauser zandsteen. Vanwege de gelijkenis met de doopvonten van Zweelo of Schoonhoven zal het een Gotisch vont zijn uit de periode 1400-1425. Ook de Monumentenraad dateerde in 1923 het vont "van Schokland" als 15e eeuws. Dit vont is daarmee te jong om afkomstig te zijn uit het 13e eeuws kerkje van Nagele.


1.7 Kerkhoven bij Urk

De vondstlocatie heeft tot veel speculaties en onderzoek geleid. AWN Flevoland heeft overwogen of het zinvol zou kunnen zijn om op de door archeoloog Modderman en anderen vermoedde de 2/3-1/3-plaats, op 1 kilometer westelijk van het keileembultje van Tollebeek, te gaan zoeken. Maar daar was inmiddels de dorpskern van Tollebeek verrezen! <16>

Klaas de Vries schreef over de kerkhoven bij Urk: ,,Er zijn drie kerkhoven rond of in de nabijheid van het eiland Urk geweest. Waarvan twee ingetekend  op de kaart van Van Dompselaar, de schout van Urk in de eerste helft van de 18e eeuw. Te weten het oude kerkhof van Espelo  op de vormt van Urk.<17> Het is dit kerkhof geweest waar de Kamper stadssecretaris Arent toe Boecop gehuwd met joffer Lumme van Urck schrijft over de aanwezigheid van een vijftal sarcofagen. [GvH: Het oude Urker kerkhof daar was al in de eerste helft van die eeuw in de golven verdwenen. De Gelderse geschiedschrijver en geleerde Arend Slichtenhorst maakt in 1654 melding van de rond 1600 weggeslagen kerk op Urk. Deze kerk stond al geruime tijd op een eilandje voor de westkust van Urk.] 

Verder dan het kerkhof van de kapel van het Hof van Elten aan de zuidkant van Urk. Dit Hof wordt nog genoemd in 1414 als de graaf van Kuinre weer met Urk wordt beleend. [GvH: In 1848 schreef Van der Aa: ,,Het Urker kerkhof: naam, welke de zeelieden geven aan eene droogte in de Zuiderzee, O. van het eil. Urk, tusschen het vaarwater de Nagel en de Zuiderzee."]

Dan tenslotte Naghele  wat nog niet duidelijk op de kaart staat!

Een twintigtal jaren geleden vertelde Tromp de Vries de Urker historicus in die tijd mij het verhaal dat tijdens de Zuiderzeewerken en bij de aanleg daarbij van de Urker werkhaven, dus rond 1935,  bij het baggeren van deze werkhaven veel kloostermoppen boven water kwamen. Men dacht toen aan het kasteel van Van Swieten. Waarschijnlijker is dat men toen resten van de kapel van Hof van Elten op Urk boven water baggerde. Dat de doopvont hier in de 18e eeuw is opgevist is dus ook nog een mogelijkheid.  Deze kapel is waarschijnlijk rond het jaar 1000 gebouwd.”<18>


kaartje ZuiderzeeOp het kaartje van de Zuiderzee zijn de haringvisgebieden aangegeven waar rond 1900 de Vollenhovers visten. Haring kon met fuiken worden gevangen, maar ook met reepnetten of met sleepnetten (kuilen). Een vleet bestaat uit een reeks reepnetten die met lange touwen vast zaten aan een zware en dikke henneptros (reep). Het geheel bleef drijven door waterdichte tonnetjes, ‘breels’, die met touwen waren vastgemaakt aan de reep. De van onderen verzwaarde netten zweefden verticaal in het water. De afbeelding toont een 16e eeuwse netverzwaarder die aangetroffen is in de Noordoostpolder.<19a>

Veel  repers visten bij “ ’t Kerkhof”, een plaats waar de haring op aan trok. Dat kwam doordat de grond daar harder en ‘heftiger’ as, door ‘heften’ (obstakels) op de bodem. Een Vollenhover visser zei in de 20e eeuw: ,,D’r ben verscheije kuilen kapot gegaan. En dat was precies op toren op toren van Kampen, dat was slecht.“<19b>  Vermoedelijk bedoelde deze visser de lijn tussen de toenmalige kerktorens Urk-Kampen. Kennelijk werd er af en toe ook wel gesleept in het gebied van de repers.

Gait Berk (1927-2006) schetste een beeld uit zijn jonge jaren van Kamper vissers met roots in Schokland: De vissers waren ,,armer dan arbeiders, [maar] hadden nooit knechtschap gekend. Ze waren sinds mensenheugenis gewend geweest hun eigen plan te trekken en hun eigen beslissingen te nemen en beschikten daartoe over een ontzagwekkende kennis. Ze wisten al wat ze nodig hadden van vis en vistechnieken, van weer en wind en schepen, van zeilen en navigatie. Van dit alles stond nota bene niets op schrift, het was van vader op zoon overgeleverd (…): van schipper op maatje verteld en voorgedaan. Een vissermanszoon heeft mij eens verteld, dat toen hij pas aan boord kwam, zijn vader hem onder het varen — als de gelegenheid het toeliet — aan één stuk door volstopte met gegevens: ‘Kiek, jongien...’ Dan moest hij leren kijken naar de landmerken, (…) ‘Kooiboom an de boerderije’, daar lag een obstakel bij zandbank Het Roggebot, of de Noorderkerk (van Brunnepe) inéén met de Bovenkerk van Kampen, dan zat je in de lijn van de Nagel, het verdronken gebied tussen Urk en Schokland. De vissers kenden tientallen van zulke oriënteringspunten om zeegaten aan te lopen, ondieptes te ontwijken of visgronden te vinden.

 

netverzwaarder Met enkele gegevens liepen ze niet te koop (..) Aan de kennis van de vissers konden we (…) niet tippen. Die kenden bijvoorbeeld, doordat ze veel sleepnetten gebruikten, ook de bodemgesteldheid van hun visgronden. Als ze bij slecht zicht in twijfel waren over hun positie ‘staken ze uut’: dan prikten ze met een vaarboom over boord en voelden of ze boven hard zand of zachte kleigrond zaten; soms hoorden ze al aan de tik van de stok welke bank ze naderden of zagen aan de kleur van de modder aan de haak in welke hoek ze ongeveer zaten. Haalden ze geen grond met de vaarboom, dan moesten ze wel in het Val van Urk verzeild wezen, ’s Nachts kenden ze natuurlijk de lichten evengoed als de landmerken van overdag; als ze onderdeks waren hoorden ze aan de golfslag dat ze land naderden of dat het schip niet goed op koers lag.”

De ,,vissers [bemanden) in de regel met zijn tweeën schepen … van zo’n twaalf a dertien meter lang, die onder het vissen wel honderdtwintig vierkante meter zeil voerden, en dat ze bovendien nog zonder mechanische hulpmiddelen de loodzware, natte en menigmaal met vis beladen netten aan boord wisten te krijgen, dan komen die oude Zuiderzeevissers welhaast als bovenmaatse figuren uit de sagen en legenden te voorschijn. Toch waren het heel gewone mensen; ze stonden ‘alleen maar’ anders in het leven dan wij. Ze hadden kennis en kunde verfijnd op een manier, die wij niet meer kennen, en bij zichzelf zintuiglijke en intuïtieve kanten ontwikkeld, waar de moderne mens geen weet meer van heeft.<19c>


kuilenHet 'het oude kerkhof' op 842 meter ten oosten van Urk, was het enige kerkhof tussen Urk en Schokland. <19d>  De vissers noemden het water tussen de eilanden 'de Nagel'. Visser Cock zou in 1777 het doopvont uit het oude kerkhof hebben gevist. Maar de overgeleverde locatie ,,tusschen Schokland en Urk op 2/3 van 't eerste en 1/3 van Urk" geeft dit oude kerkhof in 't geheel niet aan, waarover Gregorius Mees schreef: ,,De visschers, die op dit kerkhof dikwijls hunne netten gescheurd hebben, vermijden het zorgvuldig.”


samengevoegde kaart hoogtelijnenLuitenant ter Zee A. Van Rhijn die de dieptekaart van de Zuiderzee in 1844-1847 vervaardigde gebracht had schreef: ,,Het diepste gedeelte N.O. van Urk, wordt de Nagel genaamd, waarin meestal zachte grond gevonden wordt.” <19c>  Waarschijnlijk heeft Cock, die op haring moet hebben gevist met een sleepnet en dus over een flinke schuit beschikte, het vont inderdaad aangetroffen in het reper-gebied van 'de Nagel', ongeveer op de overgeleverde afstand tussen Schokland en Urk: 2/3 en 1/3. Volgens Gregorius Mees was sprake ,,van een plaats tusschen Urk en Schokland, waar de zee op het diepste is." Dat klopt met het dieptelijnenkaartje van de voormalige Zuiderzeebodem, kort na de drooglegging. De bodem zal i.v.m. klink slechts weinig hoger hebben gelegen. Het is inderdaad diep op 2/3 van de Schokker westoever omstreeks 1777 (zie kaartje).  Het opgeviste object zal zijn achtergebleven na een scheepsramp in de periode 1400-1425. Mogelijk heeft de bemanning - en na hen vele andere vissers - door de aard van de vondst gedacht dat dáár, in 'de Nagel', een oud kerkhof moet hebben gelegen. Zo kan in de overlevering de vondst gekoppeld zijn aan het verdwenen dorp Nagele.

De sagevorming begon. Op die plek, kon je beter niet komen, want dan dreigden je netten stuk te scheuren. In ‘de Nagel’ lag ‘het kerkhof’ van een oude stad, waar muren drie voet boven de zeebodem uitstaken en die je bij zeer laag water zelfs kon zien. Als het daar hard stormde, hoorden de vissers de klokken van Nagele luiden.


De vondstlocatie ligt in het door Yftinus van Popta geïdentificeerd polynoom gebied nr. 6 (kaart), waarin geen wrakken zijn aangetroffen en de kans op het aantreffen als gering wordt beschouwd.<19e> Dat kan veroorzaakt zijn doordat hier een relatief sterke stroming stond, waardoor er erosie optrad bij sterkere vloeden, en er netto nauwelijks sedimentatie optrad. Eventuele wrakken werden dan niet "ingepakt", maar stonden bloot aan zuurstof en verrotting. Het doopvont lag blijkbaar óp de zeebodem, “klaar” om opgevist te worden.

De verwarring over de ligging van het oude Nagele komt zelfs nog tot uitdrukking in het artikel 'Historische vondsten in de NOP' in de Provinciale Drentsche Drentsche en Asser Courant van 12-08-1948, terwijl uit datzelfde artikel blijkt dat in de polder zojuist ontdekt is wáár het dorp Nagele vermoedelijk wèl gelegen heeft …: ,,Naar het eiland Nagele, dat in de 13e of 14e eeuw door een stormvloed moet zijn verwoest en dat ergens tussen Urk en Schokland heeft gelegen, heeft men ook onderzoekingen gedaan. Aan de hand van opgravingen van aardewerk en grondlagen meent men de plaats een aantal kilometers ten Noord-Oosten van Urk te kunnen bepalen."

Het voorkomen van scherven van vroeg Duits steengoed uit de Duitse Rijnstreek op die nieuwe plek, perceel H33 e.o. (zie kaartje met dieptelijnen in decimeters beneden NAP), alsmede van lei- en baksteensteenresten, ten noordoosten van Urk, had aangetoond, dat hier hoogstwaarschijnlijkheid een kerkje heeft gestaan en dat dit dorp in de 13e eeuw nog bestond.

 
gemarmerd voorbeeld1.8 Het vont op Schokland

Het doopvont kreeg niet onmiddellijk een plek in de R.K.kerk op Emmeloord. Kwam visser Cock geen goede prijs overeen, was voor de pastoor <20> de herkomst te mistig of te problematisch (gehaald uit de "voortuin" van Urk), of was het vont te beschadigd? Hoe dan ook, het gevaarte belandde op het kerkhof van Emmeloord.<21>

Bij de waternoodramp van 1825 spoelde veel inboedel uit de r.k.-kerk op Emmeloord, waaronder het altaar. Na de ramp kreeg pastoor Joannes Bosch (1794-1842) giften binnen voor o.a. een nieuw altaar. De pastoor kocht van het geld in 1826 ook het doopvont van Cock en liet er zijn naam en het jaartal 1826 in beitelen. Het Historisch Genootschap schreef  in 1858 over de aanpassingen: ,,Hierdoor is veel van den ouden vorm, de grootte en waarde verloren gegaan. (…) Dit vont staat thans, als geheel nieuw, in de R.K. kerk te Emmeloord te prijken, en is als rijk geaderd marmer zeer netjes opgeschilderd. (…) De inwendige kom moet niet diep geweest zijn, daar zij thans slechts 0,21 el bedraagt.”<22> Het bekken kreeg een blauw geverfde gemarmerde houten kap met bovenop een wit houten beeldje op een vergulde bal.<23> De foto geeft een voorbeeld van gemarmerd schilderwerk in een kerk.


1.9 Conclusie

Afgaande op o.a. de voorlopige lijst van 1923 èn de studie van Regnerus Steensma is het doopvont van Schokland een gotisch exemplaar uit de periode 1400-1425, vermoedelijk van Gildehauser steen. Het werd opgediept uit 'de Nagel', zo'n vier meter onder NAP, maar kan door de datering én door de plek van de vondst niet afkomstig zijn uit het kerkje van het verdronken Nagele. Mogelijk is het bekken voor ingebruikname in 1826 ingekort vanwege een beschadigde  bovenzijde, maar het is echter gezien de relatief grote hoogte (1,10 meter) èn de ondiepe kom <24> van oorsprong eerder een wijwaterbekken geweest. Zo’n bekken plaatste men bij de ingang van een kerk. De gelovige doopte er bij binnenkomst enkele vingers in en maakte dan het kruisteken ter herinnering aan het doopsel. 

Zelfs bij een lage waterstand (aflandige wind), moet het bergen met een sleepnet van het loodzware object - ruim 0,6 ton onder en 1 ton boven water -  een flinke klus zijn geweest. Waarschijnlijk heeft de bemanning het bekken onder water naar de haven van Emmeloord gesleept.<25>


oud doopvont Ommen1.10 Nieuwe verblijfplaats

Na de ontruiming van het eiland in 1859 verhuisde het wijwaterbekken samen met baksteen en ander bouwmateriaal van de afgebroken kerk mee naar Ommen.  Daar werd in 1861 de R.K.kerk (H. Brigitta) in 1861 opgetrokken van het materiaal van de in 1842 gebouwde kerk te Emmeloord (Schokland).


In Ommen is de katholieke kerk, die al in het jaar 1238 werd genoemd, waarschijnlijk eerst van hout gebouwd. In 1319 was sprake van een  kerspelkerk. Het is waarschijnlijk dat de kerk in 1330 al van steen was, want toen is Ommen in brand gestoken. De kerk die oorspronkelijk aan een andere heilige gewijd was, werd in 1460 vermeld onder het patronaat der H. Brigitta en in de 15e eeuw en latere jaren verder uitgebouwd.<26> Pas na de succesvolle campagne van prins Maurits in 1591, die de laatste Spanjaarden uit Salland verdreef, is de kerk waarschijnlijk in protestantse handen gekomen. Deze kerk bezit een romaans Bentheims doopvont, een rond kuipmodel  met een zeer brede schacht, versierd met rondbogen en overwegend geometrische ornamenten (foto). Deze typen dateren volgens Steensma uit de periode 1200-1240. Dit oude vont zou dus in 1238 vervaardigd kunnen zijn.<27>


Het wijwaterbekken van Schokland kwam te staan in de r.k.-kerk te Ommen. Daarmee beschikte de r.k. gemeente van Ommen na meer dan tweeënhalve eeuw  weer over een eigen vont. Het werd hier niet geplaatst als een wijwaterbekken, maar kreeg als doopvont een plaats voorin de kerk. De kerk bezat in 1923 <28> ,,een achthoekige zandsteenen doopvont (XV), in 1772 uit de Zuiderzee bij Schokland opgehaald.”


Verder:

o    Twee koperen kronen (1645 en XVII c).

o    Zilveren ciborie (1825).

o    Zilveren kelk (± 1750), thans als ciborie gebruikt.

o    Zilveren kelk, met voet en schacht (XVIII), en nieuwe cuppa.

o    Ziveren ampullen met blad (XVII d).

o    Zilveren Missaalbeslag (XVIII c), afkomstig van Schokland.

o    Zes koperen kandelaars (XVII c), van Schokland afkomstig."


Of hier de opgedoken kandelaar tussen zit is niet bekend. Waarschijnlijk is de zilveren ciborie wel van Schokland afkomstig: aangeschaft na de stormvloed van 1825. De ciborie is in de katholieke liturgie de kelk met deksel waarin de geconsacreerde hosties worden bewaard.


In 1925 schreven Moerman en Rijers over het doopvont: het ,,is thans voorzien van een houten deksel, gekroond door een figuurtje vermoedelijk Johannes het Dooper voorstellend."  In 1938-1939 is een nieuwe r.k. kerk gebouwd en het oudere kerkje werd afgebroken. Het vont werd overgebracht naar deze nieuwe kerk van de H. Brigitta in de Nering Bögelstraat 1.

Ter Kuile beschrijft in 1979 de inventaris van deze kerk, waartoe ,,behoren (…) voorwerpen, die ten dele zijn overgebracht van Schokland”. Daaronder 2 kaarsekronen en 6 gegoten geelkoperen kandelaars, alle uit de 17e eeuw.


RK kerk Ommen

replica doopvont1.11 Replica

Bordje Replica Toen de Waterstaatskerk op de Schokker Middelbuurt weer in gebruik werd genomen heeft de Schokkervereniging aan klompenmaker-beeldhouwer Piet Brouwer (1933) uit Urk gevraagd een replica te maken van het “doopvont”. Sinds juni 1996 staat er een replica van in deze kerk; van kunstzandsteen, omdat werken met zandsteen niet meer was toegestaan. Oud-onderwijzer, historicus en dichter Tromp de Vries uit Urk schreef op een bijbehorende plaquette een passend gedicht (fotos).<29>







Hoofdstuk 2. Sarcofagen (1024-1134)
2.17 Zandsteen NOP-kaart

Op het topografische kaartje van omstreeks 1300 staan locaties van aangetroffen middeleeuwse zandsteenobjecten. De kruikjes geven bewoningssporen aan. Aangetroffen middeleeuwse zandsteenobjecten: 1. sarcofaagdeksel bij het eiland in sectie C, perceel 11/12; 2. sarcofaagkist in sectie G Oosterringweg/ Kuindertocht  en bij Kuinre enkele fragmenten van deksels; 3. vijf sarcofagen met deksels op kerkhof Espelo <30>; 4. een wijwaterbekken in ‘de Nagel’.


Tot de eerste vondsten van de inpolderingen in de voormalige Zuiderzee behoorde deze bij museum Schokland liggende sarcofaag van Wieringermeer, waarvan de deksel overigens niet bij de kist hoort.


2.18 Sarcofaag WieringermeerBij de vrede van Selz in 804, na de definitieve overwinning van Frankische veroveraars op de Saksen, moesten deze overgaan tot het christendom. Zij mochten in het vervolg de doden niet meer verbranden, maar moesten hen op straffe van dood begraven.<31> Overigens waren bijvoorbeeld de Merovingische koningen – met bijgiften - al wel in kisten begraven. In ons land kwamen bij de rijke bovenlaag sedert de 11e eeuw stenen doodskisten in zwang. De sarcofagen zijn gemaakt van rode (roodbonte) zandsteen of van Bentheimer zandsteen en zijn zowel in Nederland als verder naar het noorden langs de Deense kust en de Duitse rivier de Ems aangetroffen.<32>

Ook in en rond het gebied van de Noordoostpolder zijn sarcofagen en de deksels van steenkisten aangetroffen.

 

2.1    De Salische dynastie (1076-1125)
2.22 Odenwälder Sandstein

Roodbonte sarcofagen – het rood is rose-rood - vinden in de lage landen vooral ingang in de halve eeuw van de Salische dynastie, de tijd van de Frankische (Salische) vier Duitse/ Rijnlandse koningen en keizers van het Heilige Roomse Rijk: 1024-1125. Anders dan de Bentheimse crusifix en het sarcofaagdeksel van Vollenhove wordt in deze uit het Rijngebied afkomstige traditie een symboliek zonder menselijke figuren gehanteerd. Het gebruik van deze sarcofagen was voorbehouden aan aanzienlijken. Daarom zal  een groot deel van de sarcofagen gevonden in en om het Noordoostpoldergebied eigendom zijn geweest van locale aanzienlijken. Wat was het Salische beleid en wat is ervan merkbaar in Schokland, Urk, Kuinre en omgeving ?

De Salische  heersers wortelden in het geslacht van de Widonen uit het hertogdom Franken. Koenraad van Zwaben  (? - Utrecht, 14 april 1099), bisschop van Utrecht van 1076 tot 1099, had Duitse wortels en was een naaste vertrouweling van de Salische koning Hendrik IV. Hendrik, inmiddels keizer, beleende Koenraad met een aantal graafschappen in het Oversticht, waaronder Stavoren (1086), Oostergo, Westergo en een onbekend graafschap aan de IJssel (1088), waardoor het Sticht Utrecht een van de belangrijkste gebieden in de Nederlanden werd.<34>

In het Noorden was Staveren als handelsplaats en marktcentrum voor Zuidergo al in de elfde eeuw van belang. De Friese landen kenden naast een hoge geestelijkheid rond deze tijd nog een voorname aristocratie. Zo was de familie van koningin Mathilde, de moeder van keizer Otto I, van Friese afkomst. Sarcofagen waren hier gelet ook op de vondsten daar populair.<35>

Bisschop Koenraad zette evenals Hendrik IV niet alleen ministerialen in voor militaire zaken en bestuur en beheer van kerkgoederen,  maar ook voor het uitvoeren van grootschalige en systematische ontginningen in het gebied waar de Utrechtse kerk een redelijk dichte concentratie van goederen bezat.<36> Interessant in dit verband is de sterke correlatie die onderzoeker Kees Kuiken opgemerkt heeft tussen het aantreffen van sarcofagen en ontginningen in de omgeving, die het mogelijk hebben gemaakt om snel in aanzien te komen en/of rijk te worden.  In de buurt van de latere burcht van Kuinre bezat Koenraad een huis (domus) met een aantal hoeven en een ‘zwaag’ (swechus), waaronder wel een aanzienlijk complex weidelanden wordt verstaan.<37> In 1118 kreeg bisschop Godebald (bisschop 1114 tot 1127) door uitruil met het kapittel van Sint-Pieter de beschikking over deze swechus. Uit de tijd van bisschop Andries van Cuijk (1128-1139) dateert de kapellenlijst van 1132 waarin voor het gebied van de NOP en omgeving voor het eerst een aantal nieuwe nederzettingen worden genoemd. Het is mogelijk dat het swechus-complex, het tafelgoed van de bisschop, de plek was waar later de burcht van Kuinre is gebouwd.


2.2 Vondsten van roodbonte sarcofagen

sarcofaag C11-12 De rode bontzandsteen kwam uit het Midden-Rijngebied (zie onderstaande kaart). Daar maakte men in de periode 1000-1300 sarcofagen.<38> De doodskisten werden meerdere malen gebruikt en fungeerden vaak als familiegraf; ouder gebeente werd opgeschoven om plaats te maken voor een nieuw lichaam. De kisten werden dicht onder het maaiveld gelegd, waarbij het deksel aan de oppervlakte zichtbaar bleef. De hoofdeinden lagen aan de westzijde.

In de bodem van de  Noordoostpolder zijn deze vroege toepassingen van zandsteen gevonden. Het oudst is waarschijnlijk het deksel van de sarcofaagdeksel met een kruisstafsymbool (zie de drie afbeeldingen). Dat zeer grof bewerkte deksel (2,06 m x 0,80 m) werd in december 1953 gevonden in de kavelsloot tussen de percelen C11 en C12,  ten westen van Espel en Creil.


sarcofaag bij NageleHet was nog gaaf, nog nergens verweerd.<39> De datering in situ op basis van de ligging op de bodemlaag was gezien de geringe kans op verplaatsing door wateractie betrouwbaar.<40>  Het ontbreken van natuursteen in de kustgebieden en het afleggen van een grote afstand vanuit de steengroeven, maakte de aanschaf van sarcofagen kostbaar. Een dergelijk grafmonument was dan ook voorbehouden voorbehouden aan een beperkte sociale bovenlaag. Dit 12e eeuwse roodbonte sarcofaagdseksel is niet afkomstig uit Bentheim, maar uit het Midden-Rijngebied. Het 468,5 kg zware deksel lag in een slootrand op een hoogte van 5,90 m - NAP bovenop een Almeresediment (sloeflaag III-b). Met het deksel heeft men het einde van deze laag gedateerd.<41> Bovenop het deksel was in de eeuwen die volgden een anderhalve meter dik sedimentpakket afgezet. Van der Heide en Wiggers hebben het einde van deze laag Almeresediment wat arbitrair bij 1163 na Chr. gelegd, een verongelukt schip door een grote stormvloed in het Almeregebied. Omdat dergelijke sarcofagen in hoofdzaak uit de Salische periode (of kort daarna) dateren, zou bij deze redenering eerder het jaar 1134 in beeld komen, het jaar waarin de Lage landen ook een grote stormvloed te verduren kreeg, en waaraan ook het Almeregebied niet zal zijn ontkomen.<42> Niet alle stormen uit die periode zijn bekend. Bovendien: als het deksel bij overslag naar een kade of naar een groter schip is verloren - een bijbehorende kist en een wrak werden niet aangetroffen -, dan zou de datering nog veel vroeger, bijvoorbeeld rond 1100 kunnen liggen!


2.21 Sarcofaag KuinreTen zuidwesten van de oude Kuinderburcht werd ook een grafkist aangetroffen (foto). Een dragline haalde bij het graven van de Kuindertocht in het zand nabij de Oosterringweg een sarcofaagkist van roodbonte zandsteen (2,06 m x 0,73 m) naar boven. Op de hoofdwand staan een kruisstaf en twee kromstaven en op de voetenwand een gelijkbenig kruis. De kist wordt bewaard in het archeologisch depot in Lelystad. Uit de bodem is een belangrijk stuk verdwenen. 
Elders bij Kuinre werden nog twee fragmenten van bondzandstenen deksels aangetroffen. Op het ene stuk is de top van een kromstaf zichtbaar, op het andere een gebogen lijn, vermoedelijk eveneens van een kromstaf. Het materiaal was gebruikt als slijpsteen. <43> 
Deze vondsten zouden kunnen wijzen op het complex van de bisschoppelijke Swechus. Lag hier een van de nederzettingen die op de Stavorense kapellenlijsten stonden?


2.3 Sarcofagen op Urk

In de 16e eeuw trof de Kamper burgemeester Arend toe Boecop (-1580) - gehuwd met joffer Lumme van Urck - bij een bezoek aan Urk rode (waarschijnlijk bontzandstenen) sarcofagen aan. Toe Boecop vertelt dat hij op het Urker kerkhof, dus in het oude verdronken dorp Espele (op de Vormt), vijf stenen doodkisten had gezien. Hij noteerde: „So hadden die van Urrick steene doodde vaten daar groote sware sarrickken op om dat die wilde bloedgierige beesten de doodde niet souden graven en syn van roden steen in maniere off het grauwe Bentemer steen ware dan sij en ist niet en men weet niet waar nu sulken steen wort gebacken; in welke steenen vaten vint men een maniere van olde sweerden opgehouwen, die laten (lijken?) off het bisschopsstaven waren, van deze steene graven sijn hier in Campen en overal veele daar reegenwater in wort vergadert, en vis om in te leeven wort geholden." Hij zag ,,5 sulke gehele dode vaten in die eerde staan, die met een ijzeren ketten aan malkanderen waren gesloten." <44a>

2.23 Kaart zandsteenformaties Klaas de Vries schreef over de mogelijke eigenaren van deze sarcofagen: ,,De stenen sarcofagen die Toe Boecop nog aantreft op het Urker kerkhof, die waarschijnlijk om de eenheid van het geslacht over de dood heen te symboliseren zelfs met kettingen aan elkaar geklonken waren, wijzen op een toen wel zeer  invloedrijke familie in de Urker contreien. In 1148 wordt Conradus van Oric genoemd  in een oorkonde waarin hij leenrechten verkrijgt in de buurt van Mirdum.

Conradus zal een van de eerste heren van Urck of Orch zijn geweest Hij behoorde  tot de dienstmannen van de bisschop van Utrecht die mede de akte tekent. Eerder komen we  al tegen Adelardus als Voogd van Urk  met erfelijke rechten in deze gebieden. Wellicht was Conradus van Oric zijn zoon. Er was dus  aan het begin van de 12e eeuw al een invloedrijke familie met dynastieke pretenties  in de Landen van Urk die zich een dergelijke 'bijzetting' kon veroorloven. Begrafenisrituelen waren de alleroudste rituelen waarmee dergelijke families hun macht en pretenties tot uitdrukking brachten.” <44b>

Urk is vooral in de loop van de 14e tot 16e eeuw (Espelo verlaten) in een hoog tempo afgekalfd. Een zeevaardersboek uit 1540 beschrijft de ligging van de begraafplaats: ,,dat oude kerckhof bi zuydwesteind van Urk: in dat zuydend van dat clif is een witte inham ende die hoochste boom die staat in dat zuydeynd van die huysen op Urck als die boom komt over die witte inham, zoo zijt gij neven dat oude kerckhof is VI ellen diep cleyne schepen hebben daer geen gebreck of.” <45>


2.24 Sarcofaag EtersheimEspel viel in de tweede helft van de 16e eeuw geheel ten prooi aan het oprukkende zeewater. Het oude Urker kerkhof daar verdween al in de eerste helft van die eeuw in de golven. Het is dan ook geen wonder dat Toe Boecop de grafkisten bovengronds zag. De sarcofagen verbonden met kettingen kunnen in deze tijd gefunctioneerd hebben tegen het onder- en wegspoelen van de oever van Espel (oeververdediging).


Genoemde sarcofaagdeksels en –kist zijn evenals een complete sarcofaag van  oud-Etersheim (gelegen tussen Hoorn en Volendam) via de Rijn aangevoerd. In 2009 dook ADC ArcheoProjecten op de locatie van het middeleeuwse dorp Etersheim, dat in de zee is verdwenen, een complete 12e eeuwse roodzandsteen sarcofaag met christelijke symbolen op de deksel op. (Zie de tekening met christelijke symbolen op de sarcofaag van Etersheim). <46>

Een roodzandstenen sarcofaag in Jorwert zou eveneens afkomstig kunnen zijn van de Zuiderzeebodem (Staveren?). <47>

In 1999 haalden duikers van Archeo Frieslân bij het verdronken oude kerkhof van Stavoren een deel van een zandstenen sarcofaag boven water (foto). Afgaande op de kleur zou het van Bentheimer zandsteen kunnen zijn.<48>


2.25 Deel sarcofaag StavorenMisschien wordt het nog eens mogelijk om sarcofagen op basis van de genealogie van afmetingen, vorm en symbolen nauwkeuriger te dateren.

Afgaande op de tufsteen en het type sarcofaag (deksel) vondsten in de NOP lijkt de grote ontginning in het NOP-gebied in het tufstenen-kerkjes-tijdperk te zijn begonnen, m.n. na 1086, in de periode van het beheer over het gebied van bisschop Koenraad tot het einde van de Salische dynastie in 1125. <49>





stenen graven



2.4 Bentheimer zandsteen objecten

De Romaanse sarcofaag van Vollenhove dateert wellicht uit de periode 1000-1085. De productie van Bentheimer zandsteensculpturen zou vooral na de herbouw door Otto-I van de in 1116 verwoeste burcht te Bentheim  in beeld komen, dus tegen het einde van en ná de Salische invloed.<50>  De vrouw van Otto I van Salm paltsgraaf van Rheineck, Gertrud was de dochter en erfgename van Hendrik de Vette, graaf van Northeim. Bij de feestelijkheden van zijn functie als markgraaf van Friesland zou aangevallen zijn en bij zijn vlucht in 1101 met de zijnen per schip uit Stavoren op weg naar Deventer in de Nagel door achtervolgende Friezen zijn doodgestoken en overboord gegooid. <51>

Als dit waar is zou keizer Hendrik IV, van wie Heinrich van Northeim het markgraafschap Friesland kreeg (zijn vrouw was erfgenaam van de markgraaffunctie), hier dan achter kunnen zitten?  De vader van Heinrich was namelijk een fel bestrijder geweest van keizer Hendrik IV en de jonge Heinrich had zijn vader tot diens dood in 1086 gesteund, waarna hij (te?) snel de kant van de keizer koos.


2.5 Staveren en een loodsfunctie voor Naghelam (1118, 1123)

De aanvankelijke aanname is geweest dat het ten westen van Espel en Creil gevonden sarcofaagdeksel afkomstig is uit een verongelukt schip. Maar het is ook niet uit te sluiten dat er wat mis is gegaan bij de overslag van het sarcofaagdeksel tussen een rivierschip en een groter zeewaardig schip, of tussen een handelskade en een rivierschip, want een kist en andere voorwerpen of scheepsresten zijn in situ niet aangetroffen. De plek ligt nabij een in de middeleeuwen weggeslagen (schier?-)eiland. Het deksel kan voor lokaal gebruik of voor de handel bestemd zijn geweest. In het laatste geval zou het kunnen dat het gebied tot omstreeks 1200 heeft gefunctioneerd als voorloper van havenplaats Kampen: het overslaghaven tussen het Almere en de IJssel. Misschien lag hier de nederzetting Nagele (Naghelam?) en is dit dorp na landafslag verplaatst naar perceel H33 en omgeving.

De Friezen hadden van 800 tot 1100, door de hele Noormannentijd heen, de vaart op het Noorden volgehouden. Muntvondsten uit Friesland bevestigen dat. Na 1100 liep de Friese handel terug <53>, maar een document uit 1123 vermeldt wel dat de kooplieden van Staveren veelvuldig op de Rijn (Renus) voeren. Hun rechten worden bevestigd; deze zouden hen geschonken zijn door koning Karolus (Karel de Grote?). Hun rechten en de hoogte van de door hen te betalen tol op de Rijn en het geleidegeld bij Naghela worden in de oorkonde vastgesteld. In de oorkonde van keizer Hendrik V (oorkonden 1118/1125) van diens privilege voor Stavoren blijkt een loodsfunctie op het vaarwater de Nagel te zijn<54> : het ‘geleiden’ (gheferdi) van de scheepvaart op het vaarwater de ‘Naghelam’ of bij ‘Naghelam’ (het vaarwater in de  Vecht/IJsseldelta) of het vaarwater bij de nederzetting Naghelam: 
 ,,scripsimus eis insuper de theloneo quantum dare debeant euntes et redeuntes per renum et de comitatu utvergheserdi or naghelam quod si quis eis infregerit jugiter sit inimicus Regis”. Ofwel: ,,Dit schrijven wij bovendien over de tol, voor zover die op ons drukt en die wij schuldig zijn, bij af- en aanvoer via de Rijn en alsook voor de groep begeleiders/loodsen van Nagelam. Een ieder die inbreuk maakt op dit contract is een vijand van de Koning.” <55> 
Overigens is deze waternaam  al heel oud: in het oude charter van Stavoren van februari 966 staat: ‘Amnis Nakale’ <56>: stroom/ grote rivier Nakale. 

De Deventer archeoloog Michiel Bartels is ervan overtuigd dat de IJssel tot de 13e eeuw periodiek goed bevaarbaar was. Het was volgens hem anders onmogelijk geweest de grote hoeveelheden zware bouwmaterialen anders dan over water naar het noorden te vervoeren. <57> 
Vanuit Deventer werd van de 10e tot in de 13e eeuw o.a. tufsteen (Römer tuf) - Romaans afbraakmateriaal uit Xanten - voor de bouw van tufstenen kerkjes vervoerd. Voorbeelden van dergelijke kerkjes: Donatuskerk in Leermens (Groningen 1050), het kerkje te Wilsum eveneens 11e eeuw en rond 1100 het eerste kerkje van Vollenhove, opgetrokken uit tufsteen op een fundering van zwerfkeien. <58> 
Kort na de Salische periode, in 1132, worden er zo’n 8 kapellen of kerkjes in het Noordoostpolder-gebied genoemd: Kunre, Ruthne, Sillehem, Marcnesse, Urch, Emelwerth. Op Ens zou het eerste tufstenen kerkje uit de 11e (?) eeuw dateren. <59> 
De nederzetting Nagele werd overigens pas genoemd op de Stavorense kapellenlijst van 1243. Misschien bestond de nederzetting Nagele al voor die tijd, maar had het aanvankelijk te weinig inwoners voor het plaatsen van een kerkje. De nederzetting kan hebben gefunctioneerd als aan dieper water gelegen overslagplaats aan het mondingsgebied van de Vecht-IJsseldelta, tussen de handels- en muntplaats Staveren en het achterland Vecht en IJssel←→Deventer←→Xanten/Keulen←winplaatsen tot Kampen deze functie overnam.<60>

In de bijlage bij dit artikel behandelt Albrecht Greule - emeritus hoogleraar Duitse taalkunde taalkundige, naam onderzoeker en mediëvist - de etymologische betekenissen en afleidingen van de waternaam Nakala.


2.6 Christelijke cultuur in Bentheimer zandsteen

2.26 Merovingisch koningsgraf Aan het importeren van zandstenen sarcofagen kwam aan het begin van de 13e eeuw een einde toen tufsteen, dat samen met de sarcofagen eveneens uit het Midden-Rijngebied werd aangevoerd naar Deventer en Utrecht, vervangen werd door in de Lage landen gebakken baksteen. Door het einde van de Salische dynastie èn de opkomende binnenlandse baksteen-productie, verminderde de Rijnlandse invloed in Noord-Nederland.

Overigens werden sarcofagen werden in ons land nog tot aan het eind van de late Middeleeuwen hergebruikt. <52> Dat er minder Bentheimer dan roodbonte zandsteensarcofagen zijn aangetroffen, heeft te maken met het hergebruik van de Salische sarcofagen én omdat de productie hier vooral ná de Salische periode opkwam t.t.v. tufstenen- en later bakstenen graven of composietgraven van al deze materialen.


De Duits Overijsselse Vecht was een belangrijke as, waarlangs culturele gebruiken zich verspreid hebben. Wat dit aspect betreft is het jammer dat de provincie Overijssel die de opdrachtgever was van de schitterende ‘Cultuurhistorische Atlas van de Vecht’ de auteurs maar nauwelijks over de provinciegrenzen heeft laten springen. In het gebied Gerner (Dalfsen) werd de grootste Europese vondst van de Trechterbekercultuur gedaan. Er moeten bijvoorbeeld relaties hebben bestaan met de plekken waar deze cultuur is aangetroffen, zoals op Schokland (kavel P14). In Dalfsen is ook een Merovingisch koningsgraf (ca. 550 n. Chr.) blootgelegd. <61>


2.27 Crusifix van Bentheim 11e eeuwNog vóór de toepassing als bouwsteen, werd de Bentheimer zandsteen gebruikt voor sacrale objecten. Het uit de periode 1000-1050 daterende vroeg-Romaanse beeldhouwwerk 'Herrgott von Bentheim' bij het kasteel van de graven in Bad Bentheim is uit deze steen gehakt.


2.28 Herrgott-zoomIn de 12e  en 13e  volgde op vrij grote schaal de productie van doop-vonten en een aantal wijwatervaten.

Bentheimer doopvonten werden aangeschaft door veel kerken in de Eems-Dollard regio, bijvoorbeeld in Bierum en Oosterwijtwerd in Groningen, en in de Drentse plaatsen Norg, Roden, Vledder en Vries.<62>


Vroege bewijzen van het toepassen van Bentheimer steen in de christelijke context zijn het crucifix van Bentheim (Duits: Herrgott von Bentheim) uit de elfde eeuw in de Duitse plaats Bad Bentheim en het sarcofaagdseksel van Vollenhove. Het crusifix beeld is vervaardigd in Romaanse stijl en stelt een gekruisigde Christus voor. Volgens de autodidactische kunsthistoricus Carl Krumbein zijn de proporties mathematisch-geometrisch: overal heersen de proporties van de ‘Gulden Snede’. Het zou gemaakt kunnen zijn door een Benedictijner steenhouwer uit het klooster Werden aan de Roer. <63> Het is cultuurhistorisch van grote waarde omdat het een van de oudste tastbare resten is van het christendom in dit deel van Duitsland. Er wordt wel beweerd dat het beeld Saksische kenmerken vertoont. De wijze waarop de armen van Christus zijn gebogen, zou overeenkomen met het onpartijdige gerechtelijke gebaar van een Germaanse rechter. <64> De vondstomstandigheden wijzen er op dat het oorspronkelijk een wegkruis is geweest.<63>


2.29 Sarcofaagdeksel VollenhoveNa de overgang tot het Christendom werden sedert de 12e eeuw steenkisten – ook van gelige Bentheimer zandsteen -  o.a. in Nederland en langs de Deense kust en de Duitse Ems aangetroffen.

In Vollenhove werd nabij 12e eeuwse fundamenten van een tufstenen kerkje een sarcofaagdeksel van Bentheimer zandsteen opgegraven (afbeelding). <62> Deze deksel is Romaans (menselijke gestalte, kleding, ornamentele motieven).


Gerrit van Hezel, Zwolle - september 2018


Zie ook deel 1: Zandsteen voor bouwwerken

 Noten deel 2

<1>  De afbeelding aan het begin van dit artikel is een uitsnede èn bewerking van het schilderij ‘Pêche en pleine mer’ (vissen op zee, 1901) van Georges Jean Marie Haquette.

<2> https://www.oudommen.nl/gallery/index.php/Ommen/Nering-Bogelstraat/RK-kerk/20171103094433HW_Schokland-1b-1660lo

http://reliwiki.nl/index.php?title=Bestand:Doopvont_RK_kerk_Schokland_.jpg

<3>  https://nl.wikipedia.org/wiki/Doopvont

<4>  De Leeuw 1977, Petersen, 1997, Steensma 2007.

<5>  Kaart: Liesel Schmidt 2009.

<6>  http://www.sandsteinmuseumbadbentheim.de/?page_id=456

2.30 1653 Jacob van Ruisdael-Gezicht op kasteel Bentheim <7>  Zie voor het koorhek: Van Hezel en Pol 2008, 65 en Elzenga 2018. Over het doopvont in de St. Nicolaas- of Bovenkerk te Kampen schreef Eijck tot Zuylichem in 1846: ,,De heer E. Moulin heeft (...) gezorgd, dat dezelve weder op den voet gezet werd, waarvan zij, denkelijk sedert den beeldenstorm, afgeworpen lag. Zij heeft eenen zeshoekigen platten bak, met kraallijsten en toogboogjes op de zijden. De voet is regtopgaande, alleen met lijsten versierd en, even als de bak, geheel in Gothischen smaak en van blaauwen hardsteen. Ik geloof derzelver vervaardiging in de 16de eeuw te mogen stellen. " ,,Zonder twijfel hebben er in onze steden meerdere koperen vonten bestaan, die na de reformatie versmolten zijn : zoo werd er in 1422 voor de groote kerk te Haarlem eene te Mechelen gegoten, en in 1435 eene voor de Nieuwe kerk te Delft, van welke nu wel niets meer te vinden zal zijn. Ik eindig met de herinnering, dat er, volgens berigt in den Gelderschen Volks- Almanak voor 1845, op vele plaatsen in boerenwoningen nog groote geelkoperen schotels voorhanden zijn, versierd met gedreven loof- en beeldwerk. Dit zijn veelal doopbekkens, grootendeels vervaardigd door de zoogenaamde bekkenslagers te Neurenberg, Augsburg en in andere Duitsche steden, in de 15de, 16de en 17de eeuw. Tegenwoordig dienen zij hier te lande alleen tot pronkschotels, zoodat men dezelve tot in de poffertjenskramen aantreft. " Eijck tot Zuylichem 1846, 227, 228. Moulin: ,,In mijne jeugd lag dezelve nevens den gebroken voet in eene der nissen of kapellen ter zijde van het koor, zoo als dezelve na den beelden-storm van 1572 of 1378 aldaar scheen achter gelaten te zijn." Moulin 1842.

<8>  https://www.geheugenvandrenthe.nl/doopvont

<9>  http://www.kerkpleintexel.nl/pkndenburg/Kerkgebouwen.html

<10> Historisch Genootschap 1858, 146.

<11> Voorloopige lijst …, 1923, 318.

<12> Sinds de oprichting van het klooster en de bouw van de Romaanse kloosterbasiliek in 1167, bepalen het breken en bewerken van de zandsteen uit de bergruggen van de Bückeberg de geschiedenis van de stad Obernkirchen. https://de.wikipedia.org/wiki/Obernkirchener_Sandstein

<13> Steensma 2007.

<14> Foto doopvont Velsdorf: Foto: Bernhard Großmann.

<15> http://www.schildburghausen.de/kirchenchronik/dreissigjaehriger-krieg/

  http://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/schokland-3/waterstaatkerk.html

De vorm lijkt echter eerder op door Steensma (2007) beschreven Gotische exemplaren uit de 15e eeuw.

<16> Groothoff 2008.

<17> Hogeman noemde een Urker kerkhof op 860 meter ten oosten van Urk. Hogeman 1881, 19.

<18> Mail van 27 maart 2017.

<19a> NOP, kavel R1. https://www.geheugenvannederland.nl/nl/geheugen/view/netverzwaarder-zwerfsteen-ijzeren?coll=ngvn&maxperpage=36&page=1&query=Noordoostpolder+R1&identifier=NISA01%3A2219

<19a> Dorleijn 1996, 71-72.

<19b> Berk 1990, 73-77.

<19c> Van Rhijn 1871, 51

<19d> Wagenaar noemt in 1767 de afstand tot het oude kerkhof minder dan 230 Amsterdamse voeten [= 846 meter] in zee. Wagenaar 1767, 85. Zie ook noot 17.

<19e> Van Popta 2012a.

<20> Nicolaas Maria Pas (1772-  31 oktober 1776) of zijn opvolger Joannes Adolphus Christianus Bloemen (1776-1779).

<21> Kruissink, Van Flevo …, 1959.

<22> Het Historisch Genootschap te Utrecht 1858, 147.

<23> Tijdschrift van het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap 1925, 196: Het houten doopvont (…) is thans voorzien van een houten deksel, gekroond door een figuurtje vermoedelijk Johannes de Dooper voorstellend.

<24> De zware vonten uit Bentheim hebben een gemiddelde hoogte van 1 m (Steenma 2007, 103). Het “Schokker” exemplaar is 1,10 m hoog.

<25> Gewicht onder water ca. 0,62 ton.

<26> http://www.pkn-ommen.nl/algemene-informatie/historie-kerken-en-predikanten/332-historie-van-de-nederlands-hervormde-kerk

<27> https://www.entoen.nu/nl/overijssel/salland/ommen/hendrikus-petri1923

<28> Ter Kuile 1979. Stad Ommen.

<29> Foto tekst bordje en de replica: Klaas van der Kamp. https://www.klaasvanderkamp.nl/toerusting/foto-s

<30>  De laatste keer wordt Nagele als bestaande nederzetting genoemd in een charter van paus Innocentius IV van 1245, waarin wordt gesproken over de kerken van Urk, Emmeloord en Nagele, behorende tot het Sint Odulphus-klooster in Stavoren. Indien het doopvont “van Schokland” 15e eeuws zou blijken te zijn, dan komt eerder een andere vondstlocatie in aanmerking. De afbeelding van de sarcofaag uit de Wieringermeer bij het museum Schokland staat op de site https://www.emmeloord.info/sarcofaag/

<31>  Kokhuis 1982.

<32>  De rood-bonte zandsteenformaties liggen liggen in het rode zandsteengebied van de Solling en in het zuiden na Reinhardswald. In het gebied Holzminden-Stadtoldendorf, in Bodenwerder en in Bad Karlshafen op Westfaal en Nedersaksen worden nog steeds steengroeven geëxploiteerd.

<34> Bisschop Bernulphus werd in 1054 begraven.  Zijn roodzandsteen zerk had geen rondstaven en ook de deksel was onversierd. Er was inwendig alleen aan het voeteneinde kepervormig gefrijnd. Koenraad werd in 1099 vermoord  Martin 1957, 15-16.  https://nl.wikipedia.org/wiki/Koenraad_van_Zwaben_(bisschop)

<35> Mol en Van Vliet 1998, 76: OSU V, nr. 3033. Het belang van Staveren als handelsstad blijkt onder meer uit de oorkonde m.b.t. het bezit van de abdij Sint-Pantaleon uit Keulen op Urk (1082-1121).

<36> Buitelaar 1993, 56.

<37> OSU, I, nr. 289 (1119): domumn quondam aptam pascuis, que vulgari nomine swechus dicitur, juxta Cunre, nostre potestati tradidit cum quibusdam mansis, qui dicebantur eiusdem ecclesie fuisse, quos predecessor noster Cunradus pie memorie episcopus suo servitio quacunque occasione in partibus illes apposuit. Over het begrip swechus, dat in verband staat met het veehoudersbedrijf, zie Slicher van Bath, Mensch en land, I, 158.

<38>  Haiduck 1985.

<39>  De kleurenfoto is genomen van het sarcofaagdeksel in het archeologisch depot te Lelystad.

<40>  Hogestijn 1992, 99.

<41>  Van der Heide 1955, 41-42. Martin 1957, 49.

<42>  Buisman, deel 1, 316, 319-321.

<43> Martin 1957, 84.

<44a>  “Chroniken” van toe Boecop aangehaald in: C. de Vries 1962. Winsemius bracht in 1622 ,,steenen zerken” in verband met wolven, dier anders de graven ,,opschrabden” en de ,,verstorvenen” verscheuren. Chronique ofte hist. Geschiedenisse van Friesland, ed. Franeker 1622, folio 163.

<44b> Mail Klaas de Vries 22-09-2018. Uit  de genealogie  van de graven en heren van Kuinre van A.N. de Vos van Steenwijk op  pag. 68 (De Nederlandsche leeuw 1967):

''Een andere theorie is dat van Norch oorspronkelijk Van Orch (=Urk) zou zijn geweest waarmee de band Kuinre evenzo zou zijn verklaard''.

<45> Meertens en Piebega 1942, 169.

<46> In 2009 heeft ADC ArcheoProjecten op de locatie van het middeleeuwse dorp Etersheim dat uiteindelijk in de Zuiderzee verdwenen een complete 12e eeuwse roodzandsteensarcofaag met christelijke symbolen op de deksel, menselijk skeletmateriaal en o.a. aardewerk t/m de 14e eeuw geborgen. Bovendien werd menselijk skeletmateriaal en o.a. aardewerk t/m de 14e eeuw geborgen. Waldus 2009. Afbeelding in Waldus 2010, 50.

<47> Jorwert. C. Buorren (1971). 'Een roodzandstenen middeleeuwse sarcofaag' (J. Oostra, Uit de geschiedenis van Jorwerd Drachten 1993, 35; De Vrije Fries 1972, 147, in georiënteerde positie gevonden ten zuidoosten van de Redbadkerk (De toren stamt uit de elfde of twaalfde eeuw), gevuld met aarde (vr. med. mw G. Meinsma). Lichte trogvorm. Halfrond gat in hoofd- en voeteneinde. Afvoergat in bodem. Na aankoop door Fries Museum overgebracht naar Noardburgum (vr. med. G. Elzinga). In 1993 door O. Hoetstra te Noardburgum in bruikleen gegeven aan Streekmuseum Burgum (nr. ST 1993-IV-14). Tentoongesteld met half deksel, versierd met een schuinkruisstaf en volgens de schenker (Kloetstra) afkomstig van de IJsselmeerbodem (Staveren? Kuinre? Zie Martin 1957, Sarcofagen nr. 115).

<48> Foto in: Zandstra 2010, 17 (uitsnede).

<49> Wel is uit het derde kwart van de 12e eeuw nog een enkele begraving in een Salische sarcofaag bekend. Den Hartog 2002, 212-213. Boersma 1990.

<50> Otto I van Bentheim (ca. 1140 - 1208/09) was graaf van Bentheim. Hij was een jongere zoon van graaf Dirk VI van Holland en Sophia van Rheineck. Van zijn grootmoeder van moederskant, Geertruid van Northeim, erfde hij het graafschap Bentheim. Otto begeleidde zijn moeder naar het Heilige Land in 1173. In 1187 werd hij genoemd als burggraaf van Coevorden. Hij nam deel aan de derde kruistocht, samen met zijn broer Floris III van Holland. In 1196 streed hij tegen de burggraaf van Coevorden. Otto steunde zijn neef Willem I van Holland in diens geslaagde poging om de macht over Holland te verwerven, ten koste van gravin Ada van Holland.

<51> Studiën over friesche middeleeuwsche toestanden in Nijhoff's Bijdragen, 3de R., VI, p. 41; daarbij Bijdr. en Med. Hist. Gen. 1888, 475. Een andere lezing is overigens dat Heinrich van Northeim is gesneuveld in een veldslag bij Norden.

<52> Kuiken 2004b.

<53> Lensen 1990, 94.

<54> Kuile 1963 deel 1, nr. 46. Aanwezig in het Archief van de Leenkamer van Holland. Mededeling Klaas de Vries.

<55> Van Berkel 1995, 83: ‘ham’ = ‘hoek aangeslibd land, grasland aan een water’. Gheferdi heeft Von Richthofen vertaald als geleiders/ loodsen. Een andere vertaling van gheferdi geeft Henstra (2012): ‘grafelijkheid’. ‘Super ghferdi’ zou dan betekenen dat Stavoren in de grafelijke rechten kon treden. De wateren behoren tot de jurisdictie van de koning van wie de graaf in Midden-Frisia het grafelijk gezag had gekregen. Graaf Otto II van Northeim’s feitelijke afwezigheid in Midden-Friesland zal gemaakt hebben dat de bestuurders van  Staveren ,,zelf bevoegdheden kreeg inzake het heffen van tol over de Nagele”. In beide interpretaties in de Nagel voor Stavoren kennelijk een vaarweg van belang! Zie voor de etymologische betekenis van Nakala en verwante termen de bijlage.

<56> Sloet, Oork., nr. 101

<57> Slechte 2010 p.33, noot 42.

<58> Klomp 2013, p.68.

<59> Hogestijn 1992. Dit kerkje staat niet op de kapellenlijst van Stavoren. Wellicht viel zoals Kossmann(-Putto) denken, Ens met Kampen onder de goederen van de abdij te Essen. Kossmann(-Putto) 1991, 124-162.

<60> Mol 2011, 52.

In de periode 1156-1178 was Godfried van Rhenen bisschop. Deze aanhanger van de keizergezinde Hohenstaufen beslechtte in 1160 een opstand onder zijn ministerialen in zijn voordeel. Godfried hield zich vervolgens bezig met het versterken van zijn machtspositie in het Oversticht en in Friesland. Omstreeks 1165 – na de Salische periode - werd de burcht van Kuinre – een mottekasteel -  gebouwd op tafelgoed van de bisschop (w.o. de swechus ? Tafelgoederen: in de Middeleeuwen landerijen waarvan de opbrengst bestemd was voor de bisschop of voor de vorst. De letterlijke betekenis is: voor de tafel; in het algemeen voor de hofhouding.]), door één van zijn ministerialen, waarschijnlijk een nakomeling of rechtsopvolger van degene die voor de bisschop de eerste ontginningen had geleid. Godfried gaf in een oorkonde van 1165 een groep Friezen uit 'Lammerbrucke' toestemming land in cultuur te brengen dat lag tussen 'Rutherikesdole' en 'Wibernessate' en tussen 'Antiquam Lennam' en 'Kunren' Terram que est inter Rutherikesdole et Wibernessate et inter Lennam antiquam et Kunren. (O.B.S.U deel I no 444 blz 396/397).]

en liet bovendien vestingen in Vollenhove en Montfoort bouwen. De bisschop was een zoon van graaf Dirk VI van Holland en Sophia van Rheineck en een broer van graaf Otto van Bentheim en graaf Floris III van Holland. Zijn activiteiten leidden in 1165 tot een conflict met graaf Floris III van Holland, waarin de keizer als bemiddelaar optrad.

De burcht te Kuinre werd de machtsbasis van de heren van Kuinre, die gaandeweg zouden proberen zich onder het bisschoppelijk gezag uit te  werken. [Mol 2011]

De latere burggraven van Kuinre stammen af van Hendrik de Kraan (Hendrik I van Kuinre), een Utrechtse dienstman en 'vir nobilis', een edelman, die wordt vermeld in de periode 1195 – 1213, in de tijd van bisschop Boudewijn II van Holland (1178-1196). Mogelijk de voorganger van Hendrik I een ministeriaal die de pausgezinde Welfen, tegenstanders van de bisschop, had gesteund. 

De parochie ‘Nagele’ staat in 1243 genoemd tussen der parochies ‘Marcnesse’ en ‘Urch’. Nagele wordt voor het laatst genoemd op 20 augustus 1245. In die tijd ligt de overslagfunctie tussen het Almere en de IJssel al in Kampen. Ca. 1200: bouw St. Nicolaas- of Bovenkerk te Kampen. September 1251 privilegebrief van koning Abel van Denemarken voor de Ommelandsvaarders (‘umlandfarae’).

Vanaf het begin van de 13e eeuw werd de Römer tuf uit de markt geduwd door lokaal geproduceerde baksteen en andere natuursteensoorten. De vele tollen op de Rijn waren hier voor een deel debet aan. In sommige plaatsen werd de Römer steen nog geruime tijd (her)- gebruikt. [Nijland e.a. 2009.]

Een van de eerste kerken waarbij het tufstenen exemplaar verdween was de nieuwbouw van de St. Nicolaaskerk van Kampen omstreeks 1250; het eerste gebouw in die stad waar baksteen werd toegepast

Klaas de Vries schreef: ,,Hoe nauw die relatie van het ’Urcker’ gebied en de stad Keulen in het kader van de Hanzevaart wel was blijkt uit het gegeven dat op kosten van Keulen er voorheen, waarschijnlijk nog in de 14e eeuw, bij het ʼSand van Urckʼ gebaggerd werd om de voor de Keulse handel belangrijke vaarwegen hier op diepte te houden; ˮDagvaartboeken der Staten van Overijssel 1555; To gedencken dat die Oeverlantsche Steden als Coln ende andere eertijz mede gecontrubuert ende versocht hebben an den Sande tegen Urck te graven, ut patex ex missali (zoals blijkt uit het missaal) der Kercken van Urckˮ.

Als dit missaal  afkomstig was uit het verdronken Naghele dan is het is het waarschijnlijk gered door de priester en zal het  zo rond 1350 in Zwolle of wellicht in Deventer terecht zijn gekomen. De baggerwerkzaamheden moeten dan voor dat  jaar hebben plaats gevonden!” [Mail Klaas de Vries 22-9-2015 aan A. Pol en G. van Hezel].

Een missaal of misboek is de benaming voor het boek waarin de liturgische gebeden voor de Mis staan opgetekend.

<61> Illustratie: Tino Lammers, Echo tekst en presentatie.

https://www.nrc.nl/nieuws/2016/04/07/elitegraven-uit-vroege-middeleeuwen-ontdekt-in-dalfsen-a1408088

<62> Van Deijk 1993.

<63> Krumbein 1956, 47, 39, 44 .

<64> Buist 2000.

<65> https://nl.wikipedia.org/wiki/Crucifix_van_Bentheim

<66> Zie voor verdere bijzonderheden: http://www.henkvanheerde.nl/vollenhove/Grotekerk/grotekerk.htm

<67> Greule 2014, 369.



Bijlage Nakala

Nagelgraben <67>

l.z. Aurachgraben (z. Aurach z. Leitzach z. Mangfall z. Inn z. Donau) in Oberbayern, BergN. Nagelschneid, Nagelspitz. - Um 1456 das egk auf in den Nagel, 1559 auf Naegel, 1575 Nagl, ca.1778, auf den nagel. Kompositum mit dem grundwort –graben und BergN. Nagel als Bestimmwort. Dotter/Dotter, HG.A.14, S. 280.


Nagold,

die r.z. Enz (z. Neckar z. Rhein), entspringt im Schwarzwald bei Urnagold (Gem. Seewald, Lkr. Freudenstadt, B. W., D), mündet nach 90 km in Pforzheim (B.-W.). - 1075 iuxta fluvium ... ... Nagaltha, 1252 in ripa ... Nagilte, 1342 uf der Nagelt; LandschaftsN. 770 Nagltachgouue, 1007 Nagleguue,1048 Naglegowe; ON. Nagold (Kr. Calw, B.-W.), 786 in villa Nagaltuna, 881 (Kopie 12. Jh.) Nagalta, 1005 Nagelta (und weitere Belege); BurgN. Hohennagold (Stadt Nagold). - Die älteste Form des Flussnamens ist (ahd.) *Nagla, später mit Sprossvokal *Nagala. Sie ist verbaut im LandschaftsN. 770 Nagl-[achgouwe].

Die Erwähnungen des Flusses in der Form Nagaltha, ist verbaut im LandschaftsN. 770 Ndgl- [tichgouwe]. Die Ermahnungen des Flusses in der Nagigilte, Nagelt gehen auf Übertragung des Ortsnamens auf den Fluss zurück. Der ON. Nagalta ist als Nominativ neu entwickelt worden zu dem vermeintlichen Gen./Dat./Akk. f. ahd. *Nagaltün (vgl. ahd. Zunga, zungün). Wenn Nagaltuna aus vorgm./kelt. *Naglo-dûnon entstanden ist, dann könnte sich der Name auf die frühkeltische Fürstenburg auf dem Schlossberg in Nagold beziehen; kelt. *dûnon bedeutet ‘Hügel, Festung, Burg', also 'Festung an der Nagold’. Da aber das Bildungsmuster „vorgm. F1N. + -tün“ in der Alemannia (vor allem in der Schweiz)  öfter vorkommt (vgl. Lagatun -> Langeten, Murgotun -> Murg, Mortun(-augia) > Ortenau, Oltun > Olten, Turbatun > Turbenthal) muss auch die Möglichkeit einer Entlehnung von kelt. *dûnort neutrum (über *dûna > alem. *tûna, umgedeutet als Femininum) durch die Alemannen erwogen werden. Sie könnten das Wort entlehnt haben, um die Herrensitze auf Anhöhen, die schon zu vorgeschichtlicher Zeit besiedelt waren, zu benennen, was auch auf *Naglatûna/ Nagold zutrifft. - Der FlN. *Nagla ist voreinzelsprachlich-indogermanisch. Er lasst sich voreinzelsprachlich-indogermanisch. Er lässt sich am besten erklären als Verbaladjektiv, das von der schwundstufigen Wurzel mit l-Suffix abgeleitet wurde: urig, *nhagh-ló- > (vorgm.) *Naglo-, fem. ‘naglâ.


Die Vollstufe des Verbs liegt vor in gr. nechô ‘ich schwimme’ (<B ig. *nâghô> urig.*nehagh).

Die Grundbedeutung des FIN. Nagold war demnach wohl ‘Gewässer, auf dem etwas schwimmen kann’. Der gleiche Name wie Nagold (<B *Nagla) liegt vor in: (966) 968 (Kopie Ende 10. Jh.) ultra amnem Nakala, 1138 (zu 1101) apud Nagel, 1082-1121 (Kopie 15.-16. Jh.) ) adNagelo, 1138 (zu 1101) apud Nagel, ehemals Gewässer und Eiland in der Umgebung von Urk (Overijsel, NL). In diesen Zusammenhang gehört auch der Name ->Neile (<B *Nagila). - Schmid, HG.A.I, S. 80f.; Köpf, Nagold, S. 20 f.; Greule, Bewahrung, S. 100-103; Rix, LIV, S. 572; Künzel/Blok/Verhoeff, Lexicon, S. 258.


http://www.dbnl.org/tekst/_vad004vade01_01/_vad004vade01_01.pdf

Mill. CI. Heinricus crassus, comes Fresie, interfectus apud Nagel* et submersus in aquis, non comparuit per VII ebd.

Slordig afschrift: Apranagalae voor apud Nagel: nabij Nagel


Literatuur delen 1 en 2

Albers, Lucia, Langs de Utrechtse Vecht. Zwolle 1984.

Alberts, W. J., De economische Betrekkingen van Overijssel met de aangrenzende territoria in de 14e en 15e eeuw; in: Verslagen en Mededeelingen Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 71, 1956, 27-46.

Alberts, W. J., Bronnen tot de bouwgeschiedenis van den Dom te Utrecht. Deel 2, 1480/-1606/7. Den Haag 1969. Deel 3, 11507/8 – 1528/29. Den Haag 1976.

http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/dom/#page=0&accessor=toc&view=homePane

http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/dom/#page=0&accessor=toc&view=homePane

B., Th. V., Naauwkeurige beschryving der twee voornaamste Watervloeden der XVIII Eeuw in 1717 en 1775. Amsterdam 1776.

Baars, K.E., Varend vervoeren – 100 jaar Merwedekanaal. Utrecht 1991.

Becker, U., Zur Geologie des Bentheimer Sattels (Nordteil; TK 3608, Niedersachsen); sowie petrologische, gesteinsphysikalische und bausteingeschichtliche Untersuchungen des Bentheimer Sandsteins (Valangin). Ongepubliceerde Diplomarbeit, Philipps-Universitat Marburg 1987.

Berends, G., Herman Janse, A. Slinger. Natuursteen in monumenten. Zeist 1982.

Berk, Gait, een jeugd in de IJSSELDELTA. Kampen 1990.

Berkel, Gerald van, Kees Samplonius, Prisma Nederlandse plaatsnamen. Utrecht 1995.

Beukers, Eelco (tekstred.), Cultuurhistorische IJsselmeerbiografie Utrecht, Gelderland, Overijssel en Flevoland. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Amersfoort 2017.

Boersma, J.W., Oudheidkundig bodemonderzoek in de Ned. Herv. Jerk te Hellum, Groningen. In: Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 17, 1967, 141-155.

Boecop, A. toe, Kronijk van Arent toe Boecop. Utrecht 1860.

Boonenburg, K., Terugblik op Swol. Zwolle 1969.

Buisman, J., Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 1, Franeker 1995.

Buist, G., Geheimen in het Vechtdal. Uitgave van Stichting Kunst & Cultuur Overijssel 2000.

Buitelaar, A.L.P., De Stichtse ministerialiteit en de ontginningen in de Utrechtse Vechtstreek. (Dissertatie Utrecht) Reeks: Middeleeuwse studies en bronnen XXXVII; Hilversum 1993.

Buytenen, M.P. van, Langs de Heiligenweg blz 116 en I.H. Gosses, de organisatie van bestuur en rechtspraak in het landschap Drente. Groningen 1941.

Bruin, R. E., de e.a. (red.), 'Een paradijs vol weelde'. Geschiedenis van de stad Utrecht. Utrecht 2000.

Bruijn, Martin R.W. de, Tussen Rijn en Vecht. Beschouwingen over de rivierlopen in en rond Utrecht circa 1100.

http://www.broerendebruijn.nl/Rijn-Vecht.html

Croix, A. Phérotée de la, François Halma, Algemeene weereld-beschryving, nae de rechte verdeeling der landschappen, 1705.

D(apper), O., Historische Beschryving der Stadt Amsterdam. Amsterdam 1663.

Dehio, Georg,  Handbuch der deutschen Kunstdenkmäler: Bremen Niedersachsen. 1977

Deijk, A. van, Romaans vademecum. Bedum 1993.

Dikken, Egbert, De Nieuwe Vecht. pdf op de site:

https://www.oudekerstversiering.nl/history/ww2/vecht.pdf

Doesburg, Pepijn van, De bouwgeschiedenis van het transept en het schip van de Utrechtse Dom – Een nieuwe methode voor reconstructie op basis van de bouwverordeningen. In: Bulletin KNOB 2014.4, 188-208.

https://journals.open.tudelft.nl/index.php/knob/article/view/849/1012

Doorninck, J.I.van, De cameraars-rekeningen van Deventer. Deventer 1885.

Dorleijn, Peter, Van gaand en staand want. De zeilvisserij voor en na de afsluiting van de Zuiderzee. Deel V: Vollenhove en De Lemmer. Lelystad 1996.

During, R., B. Specken, Aanzet tot het streefbeeld van de Utrechts-Noordhollandse Vecht voor het jaar 2000. Een restauratieplan voor de Utrechts-Noordhollandse Vecht. TNO Instituut voor Ruimtelijke Organisatie. Haarlem/Delft, december 1991.

Elzenga, Eelco, Een incompleet koorhek. In: Kamper Almanak 2018, 215-232.

Filarski, Rudolf, Gijs Mom, 1 Van Transport naar Mobiliteit. De Transportrevolutie 1800 1900. Zutphen 2008

Geurts, A.J., Schokland, de historie van een weerbarstig eiland. Lelystad 1997.

Gogh, Vincent van, Vincent van Gogh, Brieven aan zijn moeder. Amsterdam 1914.

Greule, Albrecht, Deutsches Gewässernamenbuch. Etymologie der Gewässernamen und der zugehörigen Gebiets-, Siedlungs- und Flurnamen. De Gruyter  2014.

Groothoff, Kees, Speurtocht naar het verdwenen kerkdorp Nagele. In: Westerheem december 2008.

Hagels, H., Die Anfänge der Bentheimer Sandsteinplastik. Jb. Heimatverein Grafsch. Bentheim, 1958

Haiduck, Hermann, Importierte Sarkophage und Sarkophagedeckel des 11. ud 12. Jahrhunderts im Küstengebiet zwischen Eems und Elbe. In: Jahrbuch der Gesellschaft für bildende Kunst und vaterländische Altertümer zu Emden 65 Band, 1985, 23-40.

Hartog, E. den, De oudste kerken van Holland. Utrecht 2002.

Heide, G.D. van der, Van landijs tot polderland. Naarden 1965.

Hezel, Gerrit van en Aaldert Pol, Schokland en omgeving – Leven met water. Utrecht 2008.

Hezel, G. van, De ontdekking van een binnenvaartkogge - een kogge vol kloostermoppen omstreeks 1380 vergaan op de Zuiderzee. Zwolle 2015. In: Verrekijker bij de Canon van de Noordoostpolder.

Hezel, Gerrit van, Kuinre en de Friese oorlog van 1396. Zwolle 2016.

http://www.canonnoordoostpolder.nl/images/pdf/2016-01-03KuinreendeFrieseoorlog1396.pdf

Henstra, Dirk Jan, Friese graafschappen tussen Zwin en Wezer. Een overzicht van de grafelijkheid in middeleeuws

Frisia (ca. 700-1200). Assen 2012.

Hocker, Frederick M. en Karel Vlierman, A small cog wrecked on the Zuiderzee in the early fifteenth century. ROB/NISA, Lelystad december 1996.

Hollestelle, Johanna, De Steenbakkerij in de Nederlanden tot omstreeks 1560. Arnhem 1976.

Hogeman, J. 1881. Een oud Overijssels kerkdorp, geheel kerspel en stichtsleen Nagele genoemd. In: Verslagen en Mededeelingen Overijsselsch Regt en Geschiedenis. Twaalfde stuk. Zwolle.

Hove, Jan ten, Marieke Knuijt, Chris Kolman, Ben Kooij, Ben Olde Meierink, Ronald Stenvert, Monumenten in Nederland. Overijssel. Zwolle 1998.

Hove, Jan ten, Geschiedenis van Zwolle. Zwolle 2005.

Jansen, H., en D.J. de Vries, Werk en merk van de steenhouwer. Het steenhouwersambacht in de Nederlanden voor 1800. Zwolle 1991.

Kemper, De Gildehauser Zandsteen bij Gildehaus en Losser. In: Grondboor en hamer 1968-2; 58-74.

http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document;docid=404837

Klappe, Ab, Legenden en bijgeloof op Schokland (1). De ondergang van Nagele. Kandelaar en doopvont opgevist. Schokker Erf nr. 12, 14-15.   

Klappe, B., Verging Nagele in 1308? In: Het Schokkererf nr. 21, 1992, 31-34.

Kolks, Z. 1999. Bentheimer- en Baumbergersteen aan en in de kerken in Salland, Twente, het Kwartier van Zutphen en de Graafschap Bentheim. In: Sarrazin, J. (ed.) Spuren in Sandstein. Kreis Coesfeld, Coesfeld, 88–97.

Kokhuis, G.J.I., De Geschiedenis van Twente. Hengelo 1982.

Kossman, F.J. en J.A. Kossman-Putto, Kampen en Essen. In: Kamper Almanak 1991, 124-162.

Köttering, Martin & Roland Nachtiäller (uitg.), kunstwegen – das Reisebuch – het reisboek. Kunst, natuur en geschiedenis in het nederlands-duitse vechtdal. EWIV, Bad Bentheim 2001.

Kruissink, G.R., Van Flevo tot Schokland. In: Het Peperhuis, 2e serie, aug. 1959, nr. 7-8, 131-146.

Kruissink, G.R., Het eiland Schokland gaat herleven in het Zuiderzeemuseum. Verschenen in: Uit het Peperhuis, 2e serie, 1959, nr. 6, blz. 126-128.

Krumbein, C., Der Herrgott von Bentheim. Bremen-Horn 1956.

Kuske, B.  Wirtschaftsgeschichte Westfalens. Münster 1949. Daarin: Steenhandel: 142-143.

Kuiken, Kees, Middeleeuwse zandstenen grafkisten uit Westerlauwers Friesland. In: De Vrije Fries 2004a, 9-29.

Kuiken, Kees, Middeleeuwse zandstenen grafkisten in Groningen. In: Groninger kerken 2004b, 21/1, 4-15. Westerlauwers Friesland. In: De Vrije Fries 2004a, 9-29.

Kuiken, K., Zandstenen grafkisten in middeleeuws Drenthe. In: Nieuwe Drentse Volksalmanak 2006,  153-170.

Kugel, Elisabeth, Rund um Liebfrauen – Die Sakralarchitektur Triers im 13./14.Jahrhundert unter besonderer Berücksichtiging der Bettelordenkirchen. Trier 23 Juli 2008.

http://docplayer.org/46938922-Rund-um-liebfrauen-die-sakralarchitektur-triers-im-13-14-jahrhundert.html

Kuile,  E.H. ter, Noord en Oost Salland. De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst. Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving, ’s Gravenhage 1974, 60-61.

Leeuw, G. de, Drentse doopvonten van Bentheimer zandsteen. In Drenste Almanak, Assen 1977, 26-27.

Lenferink, Herman J.,  De St. Plechelmuskerk te Oldenzaal. Vorm, geschiedenis en betekenis. Utrecht 1998.

Lensen, Leo en Willy H. Heitling, De geschiedenis van de Hanze: bloeiperiode langs de IJssel. Deventer 1990.

Martin, Herman,  Vroeg-Middeleeuwse zandstenen sarcophagen in Friesland en elders in Nederland. Drachten 1957.  Meertens, P.J. m.m.v. H. Tj. Piebenga, Beknopte geschiedenis van het eiland. In: P.J. Meertens en L. Kaiser, Het eiland Urk, 1942, p.166-183.

Mees, Gregorius, Schokland. In: Overijsselsche Almanak voor oudheid en letteren 1847, deel 12. Deventer 1846.

Moerman, H.J., en A.J. Reijers, Schokland. In: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, tweede reeks 42, 1925.

Mol, J.A. en K. van Vliet, De oudste oorkonden van het Sint-Odulfusklooster van Staveren. In: Jaarboek voor Middeleeuwse geschiedenis, Hilversum 1998, 73-133.

Mol, J.A., Noordwest-Overijssel en Zuid-Friesland - datering en fasering. In: Jaarboek voor middeleeuwse geschiedenis 14, 2011.

Moulin, E., Historische Kamper kronijk. Eerste deel, tweede druk. Kampen 1839.

Nijland, Timo G. Wim Dubbelaar, Rob van Hees en Thomas van der Linden, De Bentheimer zandsteen: oliereservoirgesteente en bouwsteen. In: Grondboor & Hamer nr. 2, 2003, 21-25.

Petersen, F., Romanische Taufsteine in Ostfriesland. Leer 1997.

Popta, Yftimus van, Wie sturen kan zeilt bij elke wind. Een inventarisatie, kwantificatie en ruimtelijke analyse van de gevonden scheepswrakken in Flevoland. RU Groningen 2012a.

Popta, Yftimus van, Ships and maritime landscapes. Proceeding of the Thirteenth international symposium of Boat  and ship archeology. Amsterdam 2012b.

Reinsma, R., Namen op de kaart: oorsprong van geografische namen in Nederland en Vlaanderen. Atlas, 2009.

Rhijn, A. van, ‎A. R. Blommendal,  behoorende bij de hydrographische kaart van de Zuiderzee (Noordelijk gedeelte): opgenomen en vervaardigd door A. van Rhijn. ‘s Gravenhage1871

Sarrazin, Jenny, Spuren in Sandstein. Sporen in zandsteen. Baumberger en Bentheimer zandsteen in het gebied tussen IJssel en Berkel. Kreis Coesfeld 1999.

Schmidt, Liesel, Bentheimer Taufsteine in der Grafschaft, Bentheimer Jahrbuch 2009, 33 – 46.

Schönlank-van der Wal, M., Middeleeuwse stenen doopvonten in Drenthe en Overijssel. In: Bulletin Stichting Drents-Overijsselse Kerken 16 (1996) en 16a (1997).

Schuiling R., De grenzen van de provincie Overijssel en hare landschappen. In: Tijdschr. Kon. Ned. Aardrijkskundig Gen., 2e Serie 18, 1901.

Schutten, Varen waar geen water is. Reconstructie van een verdwenen wereld. Geschiedenis van de scheepvaart ten oosten van de IJssel van 1300 tot 1930. Hengelo 1981.

Slingenbergh, H.J., Het vrachtverkeer op de Vecht. In: Schildkamp 1992, 59-60.

Schildkamp, J.B. (red.), Bekijk het van beide kanten. Von beiden Steiten betrachten. Stichting Heemkundegroepen Twenthe/Oost-Salland 1992.

Specht, Heinrich, Das Bentheimer Land. Heimatkunde eines Grenzkreises. Heimatverein der Grafschaft Bentheim. Neuenhaus 1934./ Das Bentheimer Land XXII. 2. Auflage 1979.

Staring, W.C.H. en T.J. Stieltjes, 1848. De Overijsselsche wateren. Uitgebracht aan de Staten van Overijssel. Zwolle 1848.

Steenhuis, Aafke, Het lied van de Eems. Van de monding tot de bron. Amsterdam/ Antwerpen. 4e druk mei 2012.

Steensma, Regneruis, Bentheimer doopvonten en wijwaterbekkens in Nederland. In: EPRINTS-BOOKTITLE

Faculty of Theology and Religious Studies, University of Groningen. 2007.

 https://www.rug.nl/research/portal/files/2785780/Jaarboeksteensma.pdf

Steensma, R., Sporen van de katholieke eredienst in middeleeuwse Drentse kerken. In: Nieuwe Drentse Volksalmanak 2007, 5-20.

https://books.google.nl/books?id=m07w7Aw2SXkC&pg=PA19&dq=zandsteen+bentheim&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwiW_fSSvoraAhXQsKQKHaCbC2g4FBDoAQhSMAg#v=onepage&q=zandsteen%20bentheim&f=false

Stroïnk, L.A., Stad en land van Twenthe. Enschede 1962, herdruk 1974.

Voort, H., 1968. Die graflich bentheimschen Bergmeister. In: Jahrbuch des Heimatvereins der Grafschaft Bentheim 68, 87-106.

Zandstra, Albert, Eindrapportage Onderzoek naar restanten van het klooster van St. Odulphus bij Stavoren. Stichting Archeos Fryslân, Leeuwarden 2010.

Tenhaeff, Dr. N.B., Bronnen tot de bouwgeschiedenis van den Dom te Utrecht. Deel 1, 1395-1480. Den Haag 1946. http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/dom/#page=0&accessor=toc&view=homePane

Historisch Genootschap te Utrecht, Het, Kronijk van het Historisch Genootschap te Utrecht, 14e jrg. 1858. Derde Serie, vierde deel. Utrecht 1858.

Terlingen, J.B.A. en G.M.J. Engelbregt, De Dom van Utrecht. Symboliek in steen. Utrecht 2004.

Veenstra, W., ‘De ondergang van Nagele’. In: Nederlandse Historiën, jg. 9 (1975), p. 135–136.

Verschueren groot geïllustreerd woordenboek. 9de uitg. Antwerpen 1991

Verdam, Jacob, Middelnederlandsch woordenboek - Deel 6 – 1917.

Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst. Deel VII. De provincie Overijssel. Algemeene Landsdrukkerij. Den Haag / A. Oosthoek, Utrecht 1923.

Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst. Deel V, I. De provincie Noord-Holland (uitgezonderd Amsterdam). Utrecht 1921.

http://www.dbnl.org/tekst/_voo016voor06_01/colofon.php

Voort, H., Die graflich bentheimschen Bergmeister. Jahrbuch des Heimatvereins der Grafschaft Bentheim

68, 1968, 87-106.

Voort, dr. Heinrich, Die Holländischen Steinhandelsgesellschaften in der Graftschaft Bentheim. In: VORG jrg.85, 1970, 164-185.

Voort, Heinrich, Handel und Verkehr in der Geschichte der Grafschaft Bentheim als Wegbereiter ihrer kulturellen Entwicklung. In: Schildkamp 1992, 51-58.

Vries, C. de, De geschiedenis van het eiland Urk. Kampen 1962.

Vries, Th. J. de,  De Geschiedenis van Zwolle-II; Zwolle - van de invoering der reformatie tot het jaar 1940. Zwolle 1961.

Vries, Dirk J. de,  Bouwen in de late middeleeuwen, Stedelijke architectuur in het voormalige Over- en Nedersticht.  Utrecht 1994.

Wagenaar, Jan, Amsterdam in zyne opkomst, Jan Wagenaar. Derde Stuk, Amsterdam 1767.

Waldus, W.B., De sarcofaag van het verdronken middeleeuws dorp bij Etersheim (Noord-Holland). ADC Archeoprojecten, rapport 2009, Amersfoort oktober 2010.

Wissink, G.H., De vergane glorie van de Bentheimer zandsteen. VORG jrg. 86, 1971, 1-6.

Wolfert, H.P. e.a.,  Het meandergedrag van de Overijsselse Vecht; historische morfodynamiek en kansrijkdom voor natuurontwikkeling. DLO-Staring Centrum, Wageningen 1996.

Yben, J.M., De veerdienst Amsterdam-Zwolle, onderhouden door de Zwolsche carveelschippers en het Amsterdamsche Groot-Binnenvaardersgilde. Amsterdam 1941. Bibliotheek HCO Zwolle.


Websites


Dom van Utrecht: https://nl.wikipedia.org/wiki/Dom_van_Utrecht

Sarcofaag NOP: https://www.omroepflevoland.nl/nieuws/147405/flevoland-het-snoepje-van-de-dag-een-middeleeuwse-sarcofaag

Sarcofaagdeksel Vollenhove: http://www.henkvanheerde.nl/vollenhove/Grotekerk/grotekerk.htm

Schüttorf: http://deacademic.com/dic.nsf/dewiki/1264907

Bentheimer zandsteen: http://docplayer.nl/54852948-Bentheimer-zandsteen-06-4-g-r-o-n-d-b-o-o-r-h-a-m-e-r-b-o-u-w-e-n-m-e-t-n-a-t-u-u-r-s-t-e-e-n.html

Determineren steengoed: https://sites.google.com/site/determinerenaardewerk/home/steengoed/frechen


(vs 7-11-18)


 

www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl