Eens stonden er op Schokland twee kerken: die van de
katholieken op Emmeloord en
die van de hervormden op de Molenbuurt. De eerste verdween na de ontruiming in
1859, de tweede overleefde alle stormen. Thans ligt die Schokker kerk in een op
het water veroverde Noordoostpolder.
De Schokker kerk – inmiddels Museum Schokland – werd in 1995 het hart van het Unesco-werelderfgoed.
Schokker nazaten maken regelmatig een pelgrimage naar de
polder en ook niet -nazaten weten dit bijzondere plekje in Nederland te vinden.
Vanaf de terp waarop de kerk ligt hebben zij fraaie vergezichten over het nieuwe
land.
En staand naast het paalwerk kan men zich met een beetje fantasie ook nog
verplaatsen in de tijd van het de Zuiderzee; voor de Schokker vissers zowel
vriend als vijand.
Over de in 1834 gebouwde kerk op de Molenbuurt gaat dit verhaal.
De Molenbuurt
In de beschrijving van Schokland valt vaak het woord armoede. Dat is
begrijpelijk want de situatie was - in winterse omstandigheden vooral - vaak
heel beroerd. Toch is ter zake van die armoede enige nuancering op zijn plaats,
want de leefomstandigheden op het eiland konden soms aanzienlijk verschillen.
Het verhaal over de Molenbuurt is daar illustratief voor.
De kadastrale gegevens uit 1832 [1] werpen enig licht op het leven in deze buurt
evenals de in 1834 gebouwde kerk en pastorie waarvan het bestek terug gevonden
is. [2]
Eeuwenlang vormden de woonterpen de Molenbuurt met de Zuiderbuurt (waar thans
een schuilhut staat) en de Zuidpunt (waar zich thans de middeleeuwse kerkruïne
bevindt) het eiland Ens. Dit deel van Schokland behoorde sedert eeuwen tot
Overijssel. De naam Molenbuurt - ooit stond er inderdaad een korenmolen - werd
vanwege de centrale ligging ook wel Middelbuurt genoemd.
De lengte van de buurt was 227 meter, en de breedte varieerde van 30 tot 62
meter. De woonterp lag 3 meter boven zeeniveau en bood bij stormvloed meer
veiligheid dan Emmeloord, dat een kwart meter lager lag.
Emmeloord had eind jaren 1830 415 inwoners, Ens 203 en de Zuidert 77. Verreweg de meeste vissers (111) woonden op Emmeloord, en maar ongeveer 15 op de Molenbuurt en de Zuidert. [3] Op Ens zetelde het bestuur van het eiland en woonden de notabelen. Het mooiste huis – no. 2 op de plattegrond, met een oppervlakte van 207 m² -werd bewoond door de opzichter van Rijkswaterstaat Casimir Frederik Seidel (1790-1848). Hij was de zoon van Lucas Seidel, Schoklands eerste burgemeester van 1818-1827. Casimir was ongehuwd en met een salaris van f 840 per jaar was hij de grootverdiener op de Molenbuurt.
Tot de belangrijkste notabelen behoorde ook de dominee, die uit ’s rijkskas een
jaarinkomen van f 750 ontving. De oude pastorie werd in 1832 - het jaar waarin
de kadastrale situatie werd beschreven - bewoond door ds. Antonie Jacobus
Martinus Timmerman (1828-1832, no.4 -220 m²); ‘zijn’ kerk (no.3) was met 75m²
heel wat kleiner. Ook geneesheer Martinus Bernardus van Kleef (1794-1832)
behoorde met f 800 tot de “groot”verdieners (no. 28a - 62 m²). Hij stierf in
1832 aan de cholera. Onderwijzer Jan Willem Wichers (1804-1841) die in de school
(no.9 -120 m ²) woonde verdiende f 550. Hij was gehuwd met Dirkje Seidel, een
zuster van Casimir. Burgemeester Gerrit Jan Gillot (1782-1869) verdiende met f
500 minder dan de schoolmeester. Hij kon echter als ondernemer aardig wat
bijverdienen. Hij bouwde in de jaren dertig zijn schuur om tot woning (no.35 -63 m²). Gillot bezat een onoverdekte vissersschuit [4] en was aannemer van publieke
werken. Hij nam bijvoorbeeld in 1830 het onderhoud van de zeedijk voor f 4.500
voor zijn rekening.[5] Zijn broer Paulus Gillot (1789-1857), (no.36 -36 m²), was
veldwachter.
Er waren op de Molenbuurt dus heel wat mensen met een vast inkomen. Voor hen
waren de woonomstandigheden niet slecht. Hun huizen waren, met uitzondering van
die van de burgemeester, in bezit van rijk en gemeente. De genoemde notabelen
waren allen lid van de hervormde gemeente.
Zelfstandige ondernemers op de buurt waren er ook: de erfgenamen van de naast de
pastorie wonende Jacob Teunis Bakker (no.5 -150 m²).Verder
Pieter Jacobs Kale
(no.6 -195 m²) schipper, tapper en roggebroodbakker, Jan Pieters Koridon
(no.18b, 19a -66 m²) schipper en visser en tenslotte Jacob Pieters Mastenbroek
(no.20 -38 m²) tapper.
Op de Molenbuurt woonde ook een tiental dagloners die vooral de kost moesten
verdienen met het onderhoud van de dijkwerken. Die bewoonden de zeer kleine
huisjes zoals Albert Jansen Zoet (no.12 -23 m²). Blijkens de kadastrale kaart
waren er nog kleiner behuisde families. Op de Molenbuurt verschilden de inkomens
dus aanzienlijk. Over de sociale verhoudingen is verder maar weinig bekend
Op Emmeloord was de bevolking veel homogener opgebouwd. Daar woonden uitsluitend
vissers en was de armoede meestal veel groter.
De nieuwe start
1833 was een belangrijk jaar voor de Molenbuurt. Er mocht met subsidie van de
overheid een nieuwe kerk gebouwd worden. Rijkswaterstaat had de bouw begroot op
f 11.293. Maar koning Willem I vond dat er maximaal f 10.000 besteed mocht
worden. Die nieuwbouw was dringend gewenst, want het oude kerkgebouw was door de
stormvloed van 1825 zo zwaar getroffen dat het nauwelijks verantwoord was om er
nog kerkdiensten in te houden.
In die tijd speelden de persoonlijke opvattingen van koning Willem I nog een
grote rol in het beleid. Hij was ook nauw betrokken bij de kerkbouw in
Nederland. Zo had hij 1824 bedacht dat Rijkswaterstaat een beslissende rol
diende te spelen bij het ontwerpen van kerken. Dat was voor de ingenieurs
weliswaar een nieuw terrein, maar stuitte niet op overwegende bezwaren. Ze
lieten zich inspireren door de klassieke architectuur van Grieken en Romeinen,
van de Middeleeuwen (romaans en gotisch),van renaissance en barok. Vanwege dat
kiezen uit vroegere bouwstijlen typeert men de architectuur van de 19e eeuw wel
als ‘eclecticisme’, afgeleid van de Griekse term voor ‘uitkiezen’. In het kerkje
op de Molenbuurt is ook sprake geweest van dat ‘kiezen’. De 19e eeuw wordt in
dit verband wel de tijd van de neostijlen genoemd: neogotiek, neorenaissance
etc.
Waterstaatsingenieur P.J. Thomkins kreeg de opdracht om niet één maar twee
bestekken voor de nieuwe kerk op Ens te maken. Er was verschil van mening over
wat de beste manier van bouwen op Schokland was: een stenen of een houten
gebouw. Een houten constructie was lichter en zou mogelijk de voorkeur verdienen
op de veenachtige bodem, en beter bestand zijn tegen de heersende winden. Toch
werd uiteindelijk voor steen gekozen vanwege de duurzaamheid. Lange
funderingspalen moesten dan verzakking van het gebouw voorkomen. Om de prijs te
drukken zouden pastorie en kerk onder één dak komen. Het af te breken kerkje
stond wel los van de pastorie en was door een smal paadje van de kerk
gescheiden.
Het gunnen van de bouw verliep niet vlekkeloos. Jan Zwolsman uit Kuinre was de laagste inschrijver met f 11.100, maar lag boven de door de koning vastgestelde begroting. Daarom werd een nieuwe procedure gestart. Zwolsman was met een veel lagere bieding van f 8.900 opnieuw de laagste inschrijver. Als zijn borgen traden op Hendrik Zootjes uit Blokzijl en Leendert Kivit Hzn uit Hardinxveld. Seidel werd aangesteld als toezichthouder voor een traktement van f 200. Gedurende de bouw zouden de kerkdiensten in de school worden gehouden.
Het was verheugend dat dominee G. G. de la Couture het op hem uitgebrachte
beroep aannam (4 juni 1833). Voor een jonge predikant was Schokland niet zo’n
slecht begin: een nieuwe kerk en een redelijk salaris. Zijn naam is vereeuwigd
in de ingemetselde gevelsteen bij de ingang van de kerk.[6]
Met mij zullen bezoekers zich wel eens hebben afgevraagd hoe iemand met zo’n
deftige naam op het eiland Schokland verzeild raakte. Wist hij zelf wel in welke
omstandigheden hij terecht zou komen? Want volgens historicus Bouman [7] ging
het verhaal dat de kleine predikant [8] de preekstoel beklom met een geopend
reukflesje onder de toga vanwege de penetrante vislucht, wat de suggestie wekt
dat er een ‘vreemde eend’ op de Molenbuurt was gearriveerd.
Maar dat bleek allemaal reuze mee te vallen. Met Johanna Wilhelmina van Meurs
(1810-1871), een domineesdochter, verhuisde de familie De la Couture naar de
Molenbuurt.
De bevestiging van de predikant vond nog in de oude kerk plaats op 1 september
1833. In het notulenboek – bijgehouden door De la Couture zelf – lezen we, dat
zijn ‘geliefden schoonvader W.L. van Meurs, predikant te Nijmegen hem had
bevestigd als leraar van de gemeente Ens en Emmeloord. De tekst van ds. Meurs
was Mattheüs 13 : 44, met daarin de boodschap dat de mens zich vooral moet
richten op het hiernamaals. ‘Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat,
verborgen in een akker (...)’. Probeer die schat te verwerven en het ‘echte
leven’ kan beginnen. De la Couture preekte ‘s middags over I Thess. 3: 8. Daarin
ook de verwijzing naar een leven dat ‘staat in den Heere’.
Een kopie van het verslag in het notulenboek is ter illustratie opgenomen [9].
Wellicht is het grafologisch bestuderen van het handschrift een mogelijkheid om
iets meer over de persoonlijkheid van de predikant te kunnen zeggen.
De winter was niet streng en de bouw verliep voorspoedig. Al ruim een jaar na de
gunning, op 26 oktober 1834, kon ds. De la Couture de nieuwe kerk inwijden. De
kleine predikant kon binnendoor - via de studeerkamer/consistoriekamer - de
preekstoel bereiken. Zijn gemeente bestond in 1834 uit 182 zielen, waarvan 86
lidmaten. Dat zijn leden die belijdenis van het geloof hebben afgelegd.
Met het bestek uit 1833 en enkele gegevens over het door de jaren heen gevoerde
onderhoud [10] verkennen we het bestek van Thomkins, dat door de aannemer uit
het nabijgelegen Kuinre uitgevoerd moest worden; nabijgelegen, maar alle
materiaal moest evenzogoed wel allemaal over het water worden aangevoerd.
De pastorie
In het bestek lezen we: ‘De lengte of het front van het huis is elf el en vier
palm, en de breedte of diepte acht el zes palm buitenwerks’[11 meter 40 bij 8
meter 60 cm]. Een gelijkvloerse oppervlakte van bijna 100 m². Dat was een voor
die tijd ruime pastorie. De kerk had een veel geringer oppervlakte.
Vanaf het water heeft de brede voorgevel zeker indruk gemaakt op voorbijvarende
schippers voor wie de pastorie stellig een belangrijk oriëntatiepunt was.
Via het paadje in de voortuin kon je naar de voordeur. De stoep was belegd met
‘Zweedsche plavuizen’. De familie waakte voor het binnengaan met smerig
schoeisel, want er lag voor de deur een ijzeren ‘voetschrapper’. De voordeur had
een ‘groot buitendeurslot (en) ijzeren krukken’ en kon aan de binnenkant
vergrendeld worden met twee grote ‘schuifknippen’.
Via een brede gang van 1 meter 15, belegd met blauwe tegels, kon de gast naar
het woonvertrek of naar de deftig ingerichte voorkamer.
In beide kamers lagen houten vloeren. De wanden waren bekleed met ‘hollands
meubelpapier’, dat in deftige behuizingen eeuwenlang gebruikelijk was. Zo
omstreeks 1830/’40 werd het in massa geproduceerd en raakte dit soort
muurdecoratie algemeen in gebruik.
De frisse zeelucht kreeg via schuiframen - ‘beglaasd (...) met half wit glas’
toegang tot de kamer. Die ramen werden ’s nachts afgesloten met blinden of
luiken.
In de voorkamer bevonden zich – tegenover de raamkant – twee bedsteden, voorzien
van afsluitbare deuren.
In deze voorkamer was een stookgelegenheid voorzien van een schoorsteenmantel
gemaakt van eikenhout. De ‘haardplaten (...) met nieuwe gesmede roosters’ had
men uit de oude pastorie gehaald. Het bestek vermeldt ook nog speciaal de
turfbak en een koker. Die koker zal mogelijk bestemd zijn geweest voor enkele
haardattributen.
In de keuken stond een fornuis met 5 gaten voor evenzoveel potten en pannen.
Zo’n fornuis was een luxe op het eiland. De vissers hadden in hun hutten meestal
slechts een open vuur waarboven het eten werd bereid.
Aan het eind van de gang, naast de keuken, waren nog twee bedsteden. Dan was er
nog een ‘separatieschot tusschen de bedsteden van de keuken en (...) het
slaapvertrek of achterkamer’.
Daar was ook de trap naar een zeer forse kelder van 3.40 bij 2.10 meter. Zo’n
kelder kwam goed van pas voor het inslaan van voorraden, noodzakelijk als het
eiland ’s winters geïsoleerd raakte. Veel etenswaren (maar ook turf) moesten van
buiten worden aangevoerd.
Aan de voorzijde van de (berg)zolder bevond zich een daklicht met draairaam. Het
kapje was driehoekig van vorm en werd in het bestek‘frontespiesje’ genoemd. In
dit woord kan men de herkomst uit de Romeinse architectuur herkennen, het
zogeheteh fronton.
De pastorie was - in tegenstelling tot de kerk - met pannen gedekt. Tussen de
latten onder de pannen was gladgestreken dekriet aangebracht, waarmee de
winterse kou enigszins geweerd kon worden.
Washok en Armenbak
Buiten de pastorie bevonden zich nog twee ‘halfsteens’ bijgebouwtjes. Aan de
noordzijde lag het ‘Pomp en waschhok’. Dit ‘hok’ was vanuit de pastorie te
bereiken. Daar bevond zich een aanrecht met daaronder een paar kastjes. Een pomp
zorgde voor de aanvoer van water. De gootsteenafvoer liep naar een ‘zinkput’.
In de aanbouw bevond zich een ‘secreet’ [naar de Franse oorsprong chambre
secrète] een w.c. , voorzien was van een houten zitting. Die ‘geheime kamer’ was
met een lichte betimmering van de rest gescheiden en had een klein
‘lichtraampje’. In het secreet was nog een kastje met ‘rimmen’ [lijstjes] om een
en ander in op te bergen en een afvoer die eveneens naar de zinkput ging.
Buiten het washok lag de bleekweide. Voor propere huisvrouwen was zo’n
grasveldje van eminent belang. Het gewassen linnen kleurde vaak gelig en rook
niet fris. Gelegen op het gras bleekte de zon het helderwit en ook de geur werd
een stuk aangenamer.
Er was aan de andere kant - aan de zuidzijde dus – nog een uitbouw in de inspringende hoek van kerk en pastorie. Dat was het ‘Pomphok voor de armenbak’. In deze uitbouw stond ook een pomp, maar deze was ten gerieve van de gemeenschap. Zoet water was op Schokland kostbaar. Het zeewater was te brak om te drinken. Het zoete water moest van ‘boven’ komen als regenwater en werd vanaf het dak - zowel van pastorie als kerk – naar de waterkelder en/of put geleid. Het werd naar evenredigheid verdeeld tussen het Washok van de dominee en de Armenbak. Bij onderhoudsbeurten werd soms melding gemaakt van het afboenen van het leien dak. Dat zal mede bedoeld zijn om het regenwater zo schoon mogelijk op te vangen. Voordat er sprake was van een gemeenschappelijke waterleiding hadden veel kerkgebouwen (en soms ook particulieren) een waterkelder. De Schokker huisjes, gedekt met riet en/of stro, waren niet geschikt voor het opvangen van goed drinkwater. De Armenbak werd jaarlijks verpacht aan de meest biedende. De pachter werd tevens de beheerder van de Armenbak. De pachtsom kwam ten goede aan de armenkas. De pachter probeerde op zijn beurt die pachtsom terug te verdienen met het verkopen – voor een paar cent – van emmertjes water. In het reglement voor de schoonmaker van de kerk stond dat deze recht had op gratis water - op ’20 emmeren water uit den Armenbak’.
De nieuwe kerk
Vanwege de vaak krachtige stormen had waterstaatsingenieur Thomkins gekozen voor
een relatief laag gebouw. Maar omdat het op een terp lag zou het toch een
markant gebouw worden.
Als fundering werden ‘een honderd regte dennenpalen’, met een lengte van 7 meter
50 of meer, tot in het zand ingeheid.
Bij het heien ontdekte men ‘twee afgekapte of tot aan den wortel vergane bomen
(…), waaruit men mag opmaken, dat het land voortijds eene geheel andere gedaante
heeft gehad dan thans.’ [11]
De aannemer mocht kiezen uit een massief stenen fundering of het toepassen van
spaarbogen. Zwolsman koos voor spaarbogen en was dus minder stenen aan de
fundering kwijt. Het opmetselen der muren verschilde:‘die voor de kerk van
anderhalve en voor de pastorie van een steen en de uitbouwzels van een halven
steen’.
Thomkins liet zich bij het ontwerpen van de ramen inspireren door de romaanse
bouwstijl.
In het bestek werden ‘10 lichtramen met halfwit glas (...) met taai bereide
stopverf wel digt en vlak in de sponningen passende’ opgenomen. Boven de ingang
van de kerk kwam nog een 11de , een wat kleiner raam.
Binnenin de kerk waren de ramen afsluitbaar met ‘saijen’ gordijnen voorzien van
‘schuifwerk aan koperen ringen’ [gordijnen gemaakt van tot garen gesponnen wol].
De ingang van de kerk was aan de westkant, in de achtkante vorm. Die achtkant is
voor een leek met enige moeite te herkennen in het grondpatroon. In de
kerkelijke architectuur verwijst de achthoek naar de achtste dag, de dag na de
zeven Bijbelse scheppingsdagen. De liggende acht, het wiskundige
oneindigheidsteken, verwees naar de eeuwigheid. Of deze achterliggende gedachte
bij Thomkins een rol heeft gespeeld weten we niet. In de correspondentie met
zijn superieuren verdedigde hij deze duurdere bouwwijze met het oog op de
belendende bebouwing. Met een achthoek kon hij de beschikbare ruimte optimaal
benutten. De kerk verkreeg hierdoor een speelser aanzien.
In tegenstelling tot de pannen op het dak van de pastorie was de kerk gedekt met
‘beste Rijnsche leien’, ieder bevestigd met ‘vier taaije geoliede leinagels twee
ponds’. Het waarom van het verschil in dakbedekking is niet geheel duidelijk.
Mogelijk heeft men willen besparen door de pannen van de oude pastorie te
gebruiken. Maar misschien vingen leien het regenwater beter op.
De muren werden versterkt met zogenaamde ‘contreforten’ afgedekt met Bentheimer
dekstenen. Deze steunberen tegen de muur waren noodzakelijk vanwege het
tongewelf, een gewelftype dat al sedert de Oudheid werd toegepast. Het was een
eenvoudige constructie, maar belastte de muren nogal zwaar. Binnen in de kerk
werd het tongewelf nog extra verankerd in de muren met behulp van twee grenen
balken.
Oorspronkelijk schijnt het gewelf wit te zijn geweest.
Het interieur en het torentje
Het interieur van het kerkje was sober zoals gebruikelijk in veel protestantse
kerken.
De preekstoel stond centraal en kwam uit de oude kerk.[12] In de
onderhoudsrapporten lezen we dat de leuning van de trap naar de preekstoel was
behangen met een groen gordijntje en dat er ook om de preekstoel groene
gordijntjes hingen. Waarschijnlijk was het klankbord boven de preekstoel
eveneens afkomstig uit de oude kerk, want er was bij een opknapbeurt sprake van
‘hermarmeren’. [13]
De predikant vertelt in het notulenboek dat het College van Toezicht, zetelend
in Zwolle, f 140,60 had gedoneerd voor de aankoop van een ‘schoonen foliant op
den predikstoel en zes quarto bijbels in lederen band, uitgegeven bij de
gebroeders Thieme te Nijmegen en te Arnhem’. Gezien het bedrag zal er een forse
Statenbijbel op de van koper gemaakte lessenaar hebben gelegen.[14] Jammer is
dat die Bijbel na de ontruiming spoorloos verdween.
Het doophek was eveneens uit het
oude kerkje afkomstig. Daar stond ook de
lessenaar van de voorlezer/voorzanger. Een orgel om de zang van de gemeente te
begeleiden was er niet, maar dat was geen probleem, want de schoolmeester was
van alle markten thuis. Hij was zowel onderwijzer, voorlezer als voorzanger. Met
dat bijbaantje verdiende hij jaarlijks f 50.
Voorin de kerk – aan de zuidzijde – zaten de notabelen: de ouderlingen en
diakenen. Ook de voorlezer en de domineesfamilie hadden een vaste plaats. En
niet te vergeten – aan de noordzijde - de waterstaatsingenieur.
In het voorste gedeelte stonden de stoelen voor de vrouwen. De dames konden
gebruik maken van een ‘voetbak breed 40 duim’ [40 cm]. Verwarming, zoals wij die
kennen, bestond er niet. Als het erg koud was kon de koster voor een stoof met
bijbehorend kooltje vuur zorgen. Misschien nam de kerkganger ook zelf wel eens
zo’n stoof mee. Er bestaat namelijk een foto waarop dat afgebeeld is.
Voordat de oude stoelen werden overgebracht naar de nieuwe kerk dienden ze twee
keer bruin overgeverfd en ’genommerd; te worden. Die nummering was wenselijk in
verband met de verhuur van stoelen en banken. Het gebruik van stoelen was,
afgezien van het principiële uitgangspunt dat vrouwen apart hoorden te zitten,
erg praktisch. Als er avondmaal gevierd werd konden de stoelen van de eerste
rijen opzij geschoven worden en plaatsmaken voor de avondmaalstafel.
Multifunctioneel noemen we dat tegenwoordig.
De mannen zaten, zoals gemeld, in banken, bij de instap voorzien van
klapdeurtjes. Dat laatste was wenselijk om de heren redelijk tochtvrij te laten
zitten.[15]
Waarschijnlijk zijn de muren van de kerk wit geweest. Er is in het bestek sprake
van bepleisteren met stukadoorkalk.
De verlichting bestond uit twee koperen kroontjes. Hoe die kroontjes er precies
hebben uitgezien is niet geheel duidelijk. Zo lezen we over ‘ijzerhangers die
zwart waren vernist, ballen die verguld en bussen die zwart geverfd waren’. Wat
wordt er bijvoorbeeld bedoeld met die bussen? Mogelijk kan het volgende verhaal
enige opheldering geven.
Volgens een Schokker nazaat [16] kende men op Schokland geen petroleum. Men
stookte in een klein blikken busje met een brede bodem en met een dekseltje - in
het midden voorzien van een buisje met een katoenen pit – patent – of raapolie.
Die mededeling is zeer aannemelijk want we weten dat men in die tijd nog geen
petroleum kende We weten ook dat er tijdens de avondpreek kaarsen branden.[17]
In de rekeningen wordt het gebruik van blakers vermeld. Die kennen we thans
vooral als koperen blakers met een ring voor het vasthouden. In de rekeningen is
sprake van ‘20 greenen klossen met bijlevering der tekortkomende blakers’.
Blijkbaar waren er dus houten blakers.
Het vierkante torentje op de nok der kerk dient, aldus vermeldt het bestek,
getooid te worden met een ‘koepelsgewijs’ kapje. Het getal vier heeft in
middeleeuwse kerktorens een bijzondere betekenis en staat symbool voor de vier
evangelisten, de verkondigers van het christelijk geloof. Thomkins blijkt zeer
gecharmeerd van de reeds eerder in zijn bestek genoemde ‘frontespiesjes’, de
driehoekige vorm uit de Romeinse architectuur.
Het torentje wordt volgens opdracht voorzien van een uurwerk, wijzerborden en
een klok. De klok – 55 kilo wegend – haalde men uit het oude kerkje. Het
randschrift luidde: Amstelodami: anno domini 1710.[18] Voor het luidtouw der
klok moest een koker aangebracht worden.
Bovenop het kapje stond ‘de makelaar (met) pijnappel, bol, ijzeren kruis en
weerhaan’.
Bij de oude Grieken stond de pijn/denappel voor mannelijkheid. In christelijke
kring was een boom de belichaming van het leven: de boom verbindt de drie
werelden: hemel, aarde en water.
De bol en het kruis verwijzen naar Christus’ heerschappij. De haan pronkte ook
op het torentje van de kerk van Ens. Hij was de boodschapper die de zonsopgang
met luid gekraai aankondigde; in de christelijke theologie een verwijzing naar
de opstanding en de komst van Christus.
Bij onderhoudsbeurten lezen we dat ‘de kloot en haan’ verguld moesten worden.
Feestvreugde
In 1834 was er op de Molenbuurt feest, zo niet euforie. De nieuwe kerk symboliseerde een nieuwe toekomst. Van de subsidie van f 10.000 resteerde nog een bedrag van f 900. Dat bedrag mocht de kerkenraad op rente zetten. En dan was er tenslotte de nieuw ingekomen domineesfamilie waarvan men hoge verwachtingen had. De hoopvolle toekomst zou reeds in de loop van de jaren dertig vervliegen. En vijf en twintig jaar na de nieuwbouw vertrok de gemeente naar elders en liet een leeg kerkgebouw achter. Maar het gebouw werd niet afgebroken. Van bedehuis werd het een tehuis voor dakloze dijkwerkers waar ijzeren britsen de grote ruimte vulden. Tijdens de inpoldering werd de pastorie bewoond door de eerste kolonisten en zij gebruikten de kerk als paardenstal. Het gebouw raakte snel en ernstig in verval. Maar het werd geen ruïne zoals de middeleeuwse kerk op de Zuidpunt. De finale van het kerkgebouw werd eervol: in 1947 het belangrijkste onderdeel van Museum Schokland en in 1995 zelfs het symbolische hart van Nederlands eerste monument op de Unesco – Werelderfgoedlijst !
Voor diegene die nog meer wil weten is het originele bestek opgenomen.
Aaldert Pol
Eerder gepubliceerd in De Vriendenkring, 52e jaargang nr.2, Zomer 2012, pag.11-24
Noten:
1 Ab Klappe & Bruno Klappe, De Molenbuurt in 1832, Schokker Erf, no. 8, 1988.
Bruno Klappe & Wim Veer,
Schokland verlaten, Een reconstructie van de ontvolking
in 1859 , IJsselacademie,
2009, p.223 e.v. Zeer uitvoerige beschrijving met veel genealogische gegevens.
2 Historisch Centrum Overijssel (HCO), Inventaris van het Provinciaal College
van toezicht (...) in de provincie
Overijssel met het daarin gedeponeerde archief van de kerkvoogden van Schokland.
Bestek en voorwaarden
wegens het bouwen van eene kerk en pastorie voor de Hervormden op het Eiland
Schokland. Toegangsnummer
198.1, inv.no.1149. Kaarten Rijkswaterstaat met Projecttekeningen.T.140.1 inv.
nrs: 1088.1089,1090
3 P.J.Bouman, het verlaten eiland. Uitgeverij Semper Agendo BV, Apeldoorn, z.j.
p.36 e.v.
4 Bruno Klappe, De vijf burgemeesters van Schokland (1806-1859).In: Gens nostra,
nr.4/5, april/mei 2002.
5 Nationaal Archief (NA), Toegangsnummer 2.04.07.02, inv.1496.
6 Dirk Landsman verzamelde veel gegevens over ds. G.G. de la Couture. Zijn
collectie is in bezit van de
Vrienden van Schokland en bevindt zich in Museum Schokland.
7 Bouman, p.61, zonder bronvermelding.
8 De la Couture was klein van stuk. We weten - via de keuring voor de militaire
dienst - dat hij slechts 1 meter 67 lang was.
9 Het Twede Kerckenboek des Eyland Ens. Het notulenboek van de Nederduits
-Gereformeerde Kerkenraad op
Ens, 1718-1859. Aanwezig in Gemeentearchief Kampen. Een transcriptie is gemaakt
door Bruno Klappe,
Eindhoven 1989.
10 HCO, Provinciaal College van Toezicht, Toegangsnummer 198.1, inv. no. 1156.
11 Nederlandsch Magazijn 1839.
12 De huidige preekstoel en het koorhek komen uit Sint Annaparochie.
13 Aanbrengen van decoratief schilderwerk als hout- en/OF marmer imitatie.
14 Het College van Toezicht had een bedrag van f 140,60 ter beschikking gesteld
voor de aanschaf van ‘een
schoonen foliant (...)en zes quarto bijbels’.
15 De huidige banken zijn afkomstig uit Urk.
16 Johan Karel, Schokland en de Schokkers, Schokker Erf 29, mei 1995.
17 HCO, T.198.1, inv.no.1115.
18 De klok is waarschijnlijk gegoten door Jan Albert de Grave. De luidklok
maakte tijdens en ook na de Duitse
bezetting veel omzwervingen. Pas
op 19 september 2009 verkreeg de klok weer haar
oude plaats in het
torentje van de kerk van Ens.
Illustraties
1 Potloodtekening Willem Anthonie van Deventer (1824-1893) met bakkerij van
J. Th. Bakker.
2 Museum Schokland, jaren 70.
3 Aanzicht kerk vanuit het oosten met gerestaureerde zeewering.
4 Plattegrond van de Molenbuurt op basis van het kadaster (1832). N.B. Vanaf
no.1/2 loopplank naar de Zuiderbuurt. Vanaf no.45a loopplank naar Emmeloord.
5 Koninklijk Besluit. Toestemming bouw nieuwe kerk tot een bedrag van f 10.000.
HCO, T.198.1, inv..1149
6 Plattegrond oude kerk -nieuwe kerk bij het paalwerk
7 a Project tekening Thomkins
b Heipalen en spaarbogen
c Doorsnede hoogte en breedte
8 Gevelsteen (eerste steenlegging), Ds. G. G. de la Couture
9 Seidel’s declaratie -tekst
10 Handgeschreven tekst inwijding door ds. De la Couture Uit het notulenboek van
de Hervormde gemeente. Gemeentearchief Kampen: “October 26 is onze nieuwe kerk
alhier plegtig door mij ingewijd met eene leerrede over Math. XX 29b: Geeft aan
den Keizer (...)”.
11 Bestektekeningen van pastorie en kerk. Ingetekend zijn in de pastorie:
Voorkamer, Gang, Woonvertrek, Trapje, Bedstede (2x), Keuken, Kelder.
Uitbouwsels: Pomphok voor de Armenbak; Pomp -en Waschhok, Secreet, Kast; Kerk
met Preekstoel, Doophek, Stoelen (58 stuks) en Banken.
12 Kerk met nog aanwezige aanbouw