Arnoldus Legebeke (1809-1885), schoolmeester op Schokland

Arnoldus Legebeke, onderwijzer op Emmeloord, stelde in 1859 een lijst samen met de op ‘zijn’ school aanwezige leermiddelen. Hij had die lijst moeten maken in verband met de ontruiming van Schokland. Het is op zich al een bijzonderheid dat zo’n complete lijst uit de 19e eeuw bewaard is gebleven. Interessant is de vraag of de ideeën van de Verlichting ook het eiland hebben bereikt. We nemen plaats in de schoolbanken van Arnoldus Legebeke en ontdekken dat hij ook buiten het onderwijs veel heeft betekend voor de Schokker bevolking.

De Verlichtingsideeën

Met de onderwijswetten van Van der Palm en Van der Ende werden in de Bataafs-Franse tijd (1795-1813)veel ingrijpende veranderingen in onderwijsland doorgevoerd. De bekende leuze “Vrijheid, gelijkheid en broederschap”was op veel terreinen een inspiratiebron. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd in 1795 een eenheidsstaat waardoor aan de onderlinge ruzies tussen de gewesten een einde moest komen.
(Adellijke)geboorte mocht geen rol meer spelen en het onderwijs diende de basis te leggen voor een nieuwe samenleving. Dat hoort te beginnen bij de jeugd die moet leren wat goed en kwaad is en wat de nieuwe gedragsregels – de normen en waarden- zijn. Door de verstandelijke vermogens (de rede) van de jeugd te stimuleren kan die betere samenleving tot stand komen.
Het kind mag niet langer als een kleine volwassene behandeld worden maar als iemand met een eigen beleefwereld, gericht op de toekomst.
Het veelal kerkelijk uitgedragen standpunt dat de mens van nature van nature geneigd is tot alle kwaad is een verwerpelijke gedachte en leidt alleen maar tot pessimisme. Kerk en staat werden gescheiden, katholieken en protestanten verkregen gelijke rechten voor de wet.
De schoolmeester werd een belangrijk man die als volksopvoeder moest optreden.
Met een betere opleiding, goede leermiddelen en schoolgebouwen zou dat mogelijk worden. Jammer was dat de centrale overheid er geen zak met geld naast legde. De gemeenten en/of een particuliere instelling als de Maatschappij tot Nut van het Algemeen dienden het karwei te klaren. We zullen zien hoe dat op Schokland uitpakte.

De jonge onderwijzer

Arnoldus Legebeke werd op 11 februari 1809 geboren in Wijhe. Dit stadje ligt aan de IJssel en Legebeke was dus enigszins bekend met het water aleer hij op 23–jarige leeftijd als onderwijzer naar Emmeloord vertrok.
Over zijn jeugd en opleiding weten we maar weinig, maar overeenkomstig de nieuwe schoolwetten kunnen we toch aardig wat invullen. Ieder onderwijzer moest een bewijs van goed zedelijk gedrag, een bewijs van bekwaamheid en de aanstelling aan een school kunnen overleggen eer hij aan de slag kon als onderwijzer.
Het rijk had 35 schoolopzieners aangesteld en Legebeke zal door een opziener in zijn omgeving ondervraagd zijn. Over de inhoud van het examen weten we opnieuw niet alles, maar aangezien er landelijke boekenlijsten waren opgesteld en met de Emmeloordse inventarislijst kunnen we toch een heel eind komen.
Voor de Bataafs -Franse tijd was het aanvaarden van de Gereformeerde geloofsbelijdenis het belangrijkste criterium om benoemd te worden. In de nieuwe wetgeving was de predikant vervangen door de schoolopziener/ inspecteur en werd het geven van leerstellig onderwijs verboden. Dat laatste zou alleen maar tot onderlinge ruzies over theologische kwesties leiden. De jonge Legebeke diende te beloven dat hij de kinderen zou opvoeden tot alle “Maatschappelijke en Christelijke deugden”.In die doelstelling konden gereformeerden, katholieken en humanisten zich vinden en Legebeke zal als katholiek er geen enkele moeite mee gehad hebben. Hij werd op Emmeloord benoemd tot onderwijzer in de derde rang. Een schoolmeester die kon lezen, schrijven, de beginselen der rekenkunde kende en enige aanleg had in het omgaan met kinderen werd gerekend te behoren tot de vierde rang (de laagste). Voor de derde rangsbevoegdheid gold hetzelfde maar met de aantekening dat kennis van het rekenen, zowel met hele als gebroken getallen, en de toepassing daarvan in het dagelijks leven een vereiste was. Er waren slechts weinig onderwijzers in Nederland die een eersterangs bevoegdheid bezaten waarvoor kennis van natuur- en wiskunde noodzakelijk was. De materi?le positie van de onderwijzers op Schokland was niet slecht. Wegens de geringe vermogenspositie van de gemeente betaalden Rijk,en soms aanvullend de Provincie, het onderwijs.
Legebeke werd bij Koninklijk Besluit van 23 juni 1841 nog benoemd tot havenmeester van Emmeloord. Daarvoor ontving hij een jaarlijkse vergoeding van 100 gulden. Met een inkomen van in totaal 650 gulden behoorde hij tot de beter betaalden in de provincie Overijssel.

De schoolgebouwen op Schokland

Legebeke werd benoemd te Emmeloord waar driekwart van de katholieke Schokkers woonde, waar ook de kerk stond en de pastoor woonde. Op Ens (Middelbuurt) was de bevolking overwegend hervormd en daar woonde dan ook de predikant. De scholen op Emmeloord en Ens waren openbare scholen met gelijke rechten en soortgelijke leermiddelen.
Toen pastoor Doorenweerd in1808 naar Kampen vertrok vertelde hij met trots dat het schoolgebouw op Emmeloord zodanig vernieuwd was, dat zelfs een aanzienlijke stad voor het nederige dorpje moest wijken. Toen Legebeke naar Schokland kwam stond er dus al een goed schoolgebouw. Jammer is dat we er geen tekening van bezitten, maar met enige fantasie kunnen we er ons een voorstelling van vormen. We beschikken namelijk over tal van onderhoudsnota’s.

Beide scholen waren stenen gebouwen. Dat was op het eiland al heel bijzonder, want de vissers woonden in armoedige houten huisjes. Op Emmeloord omvatte de school (inclusief woonhuis, erf bleek en straatje) een oppervlakte van 370 m˛. Op Ens was het schoolcomplex kleiner met een oppervlakte van 120 m˛.
In een der onderhoudsrekeningen lezen we dat er op het schoolmeestershuis een torentje stond. Daarin hing waarschijnlijk de bel voor het luiden van de schooltijden.
Volgens de nieuwe wetten diende er in de lokalen voldoende licht en ventilatie te zijn. Daar voldeden de scholen op Emmeloord en Ens blijkbaar aan, want er is zelfs sprake van “houten raampjes met papier beplakt (…)passende voor de ramen en aan touwtjes hangende, om naar willekeur te worden op en neder gelaten”.
Verdere bijzonderheden: “Op den zolder zal eene bedstede worden getimmerd, ingang hebbend door middel van twee opgeklampte deuren op het kamertje”.In de keuken zal de ingang van het secreet worden veranderd en zal de “zitting beweegbaar gemaakt worden met een bak of ton onder dezelve”.
Op de schoorsteen van de keuken zal een houten koker gesteld worden om de afvoer te verbeteren.

Het nieuwe lesgeven

In de Bataafs -Franse tijd werden -zoals gezegd- veel veranderingen/hervormingen doorgevoerd. De reeds eerder genoemde pastoor Doorenweerd gaf bij zijn vertrek naar Kampen hoog op van de verbeterde schoolsituatie.
Johannes de Wit, onderwijzer op Emmeloord, was een van de pioniers die het nieuwe klassikale lesgeven al meteen in 1808 invoerde. Dat was de nieuwe trend! Voordien riep de schoolmeester zijn pupillen een voor een naar de katheder en was het onderwijs- volgens de nieuwlichters –te weinig productief. De leerlingen kregen veel te weinig beurten.
De nieuw benoemde schoolmeester moest beloven dat hij zich uitsluitend bezig zou houden met het geven van onderwijs. Bijklussen als doodgraver, voorzanger etc. mocht niet meer. In de praktijk werd dit de eerste jaren nog vaak oogluikend toegelaten gezien een bestaande traditie en het nog steeds (te)magere salaris van de meester.

Met de invoering van het klassikale systeem veranderde ook de inrichting van de lokalen.
Er kwamen schrijftafels (met inktpotjes)die een geheel met de zitbanken vormden.
In de tijd dat Legebeke op Emmeloord werkte werd in een rapport uit 1842 nog melding gemaakt van verbeteringen. Waaruit die verbeteringen precies bestonden werd niet gezegd.
De meester zal erg blij zijn geweest met het verbod op het gebruik van stoven. Tijdens de lessen moet dat toch zeer hinderlijk zijn geweest. Zowel op Ens als Emmeloord, zo lezen we, werd een nieuwe kachel geplaatst zodat de gevaarlijke stoven (voorzien van gloeiende kooltjes) tot het verleden behoorden.
“Nog zal bij de kagchel (geschreven volgens de in 1804 ingevoerde spelling Siegenbeek) geleverd worden twee el nieuwe pijp (...)”.

Huwelijk en zitplaatsen in de nieuwe kerk ( 1842)

Het jaar 1842 was voor de inmiddels ruim 30-jarige onderwijzer zeer ingrijpend. Op Ens was in 1834 - met rijkssubsidie - een nieuwe kerk gebouwd (thans nog bestaand en onderdeel van Museum Schokland) en acht jaar later kregen – eveneens met rijkssubsidie – de katholieken ook een nieuwe kerk. Voor de katholieken een jubeljaar: een grote kerk met pastorie en erf van 430 m˛.
Maar met de nieuwe kerk ontstond ook ruzie waarbij Legebeke werd betrokken. Hij was op 5 mei 1842 met Geertruida ten Peese, logementhoudster in Kampen, getrouwd. Zij was weduwvrouw en eerder gehuwd geweest met Johannes Petrus Tikkel, die in Kampen op 26 juni 1841 was overleden. Opmerkelijk was dat uit de nalatenschap van Tikkel een bedrag van 333 gulden ter beschikking werd gesteld aan de pastoor van Schokland en dat Legebeke dit bedrag zou gaan verrenten tegen 4,5% per jaar. Van deze rente moesten ten eeuwigen dage 8 missen per jaar voor de ziel van J. P. Tikkel gelezen worden. Het betekende dat de fundatie telkens doorgegeven moest worden aan een eventueel nieuwe pastoor. Dit kon allemaal zonder enige moeite geregeld worden. Toch raakte het jong gehuwde paar verwikkeld in een onsmakelijke zaak, bekend geworden als de kwestie Schuurman. De ruzie ging over de verdeling van de zitplaatsen aan de voet van het altaar. In de oude situatie stonden aan beide zijden van het altaar banken, speciaal bedoeld voor de vroedvrouw en de schoolmeester. Met de nieuwbouw was dat vanwege de plaatsing van de preekstoel niet meer mogelijk. De banken werden achter elkaar geplaatst. Volgens de bestaande traditie namen Legebeke en zijn vrouw plaats in een van die twee banken. De schoolmeester en zijn vrouw behoorden tot de rijkste en de aanzienlijkste mensen van het eiland en droegen in belangrijke mate bij aan de armenkas. Pastoor Johannes de Swart (1842-1845) had de toewijzing van de banken zo geregeld dat vrouwen en mannen van elkaar gescheiden zaten. Voor marskramer Andries Ludgerus Schuurman, getrouwd met de vroedvrouw, was geen vaste plaats ingeruimd. Allerlei praatjes deden de ronde over deze Schuurman. Hij zou te oud, geen goed christen, eigenlijk Jood, landloper en een soort bedelaar zijn. Kortom: niet iemand die voor in de kerk hoort te zitten. Dat vond ook Legebeke. Hij liet Schuurman weten dat als hij niet goedschiks uit de bank zou vertrekken dat het dan maar kwaadschiks moest gebeuren. Schuurman liet het er niet bij zitten en schreef brieven aan de minister. Ook aartspriester Van Kessel wordt partij in de ruzie. Schuurman krijgt echter geen gelijk.

Interessant is dat je met de ruzie een inkijkje krijgt in de katholieke gemeente op Schokland. Uit de gevoerde correspondentie blijkt dat de Schokkers niet gebukt gingen onder hun zonden. We vernemen van de pastoor dat hij nauwelijks inkomsten krijgt via de biechtstoel: Schokkers namen slechts eenmaal per jaar plaats in de biechtstoel.
Uit de correspondentie blijkt ook nog dat er zangers waren die in het koor mochten plaatsnemen. Daar zal schoolmeester Legebeke ook af en toe gezeten/gestaan hebben.
Het echtpaar Legebeke kreeg drie kinderen op Schokland.

Leren lezen centraal

Uit de inventarislijst van Legebeke blijkt dat lezen - overeenkomstig de Verlichtingsideeën - verreweg het belangrijkste vak op school was. Voorop stond namelijk de opvoeding tot een goed en deugdzaam lid van de maatschappij. Kinderen moesten opgevoed worden tot dienstbaarheid aan de samenleving en niet gericht zijn op de individuele ontwikkeling. De Schokker jeugd beschikte over de zeer moderne leesmethode van P.J. Prinsen. Het was een kostbare methode met tal van 'gereedschappen' die niet iedere school kon betalen. Op Urk bijvoorbeeld moest men zich behelpen met goedkoper materiaal.De kinderen leerden lezen met de klankmethode van Prinsen, volgens welke de woorden naar de klank en niet naar de uitspraak van de afzonderlijke letters in het alfabet worden uitgesproken. Het woord 'boek' werd nu geleerd als 'b-oe-k', in plaats van als 'bee-oo-ee-kaa'. De letterkast - ook wel leesmachine genoemd - bestond uit drie delen: links de kast met de klinkers, rechts de kast voor de medeklinkers en in het midden het zogenaamde zetraam. De set bestond ook nog uit twee of drie stokjes om aan te wijzen, letterplankjes en negen 'tafels' waarop de woordjes in opklimmende moeilijkheidsgraad gepresenteerd konden worden. Ook werden veel Bijbelverhalen gelezen. Op de inventarislijst staan: '10 boekjes Geschiedenis van Jozef, 3 stuks Brave Jozef; 3 stuks Korte schets der Bijbelsche geschiedenis' en dan nog de 'Bijbelsche Geschiedenis' van Verweij”. Grappig is nog het verslag van de inspecteur uit 1802 waarin stond dat de kinderen tijdens het lezen veel moeite hadden met het al of niet gebruiken van de 'h' aan het begin van een woord. Zo werd onder de tafel uitgesproken als 'Honder de tafel ligt de ond met een alf bot'.

Rekenen

Rekenen kwam pas op latere leeftijd aan de orde en het schoolgeld daarvoor was hoger. Op veel scholen gold het vak vooral voor leerlingen van meer gegoede ouders. Wegens de armoede op Schokland was, zoals al eerder werd gezegd, het onderwijs gratis. Op het platteland zagen velen het nut van rekenen niet in en rekenboekjes namen slechts een kleine plaats in op de Emmeloordse inventarislijst. In de eerste helft van de 19e eeuw was er nog geen sprake van een industriële ontwikkeling.
Cijferwerk met ingewikkelde berekeningen stond centraal. We geven enkele voorbeelden uit de boekjes van Baudet. Velen van ons zullen –in de tijd van het digitale rekenmachientje – toch moeite hebben gehad met dat cijferwerk.
In 1820 voerde de regering het metrieke stelsel in, gebaseerd op het Franse metrieke stelsel. Voordien was het een warwinkel van maten en gewichten die per gewest, soms per streek verschilden. Op iedere school diende een houten Nederlandse el (voortaan 1 meter genoemd) aanwezig te zijn; de Nederlandse mijl werd 1 kilometer, een roede 10 meter, een palm 1 decimeter, een duim1cm en een streep1millimeter.
Het voor 1820 gebruikelijke Nederlandse pond werd 1 kilo. Ook een stel koperen gewichten en een stel inhoudsmaten waren aanwezig. De laatste weer te verdelen in droge waren als granen, bonen, meel, zout etc. waarbij een schepel 10 liter en een kop1 liter werd. Bij de natte waren werd een vat 100 liter, een kan1 liter, een maatje 1 deciliter, een vingerhoed 1 centiliter.
Volgens de Emmeloordse inventarislijst waren er ‘10 stuks Ned. Graanmaten, zeven stuks Ned. Vochtmaten, negen stuks Ned. Gewigten'. Het is een indicatie dat de leerlingen over voldoende oefenmateriaal beschikten.

Schrijven

Schrijven was voor de kinderen in de 19e eeuw heel moeilijk te leren en werd trouwens ook van minder belang geacht. Het doel van het onderwijs was immers het vormen van goede staatsburgers. Dat was te bereiken door veel opvoedkundige verhalen te lezen. Schrijven werd bovendien als zeer moeilijk ervaren met al die lussen en zwepen. Ondanks het feit dat er een versimpeling van de letters was doorgevoerd met rechte en schuine lijntjes bleef het voor de kinderen, zelfs in die vereenvoudigde vorm, moeilijk. Het schrift was geheel anders dan de gedrukte letters.
Hoeveel kinderen op Emmeloord schrijfles hebben gekregen is niet precies bekend.
Als iemand in de 19e eeuw bekende dat hij zijn handtekening niet kon zetten betekende dat niet dat hij analfabeet was. Het was best mogelijk dat hij vlot kon lezen. Zowel op Ens als Emmeloord was de ganzenveer vervangen door een stalen pen en waren er twaalf inktkokers in gebruik. Maar ook griffel en lei waren nog steeds niet uitgebannen. De school op Emmeloord leverde in 1859 ‘25 leijen' en drie pakjes griffels in.
In de negentiende eeuw had de schoolmeester zijn robuuste katheder moeten opgeven. Hij stond veelal voor de klas en schreef veelvuldig met krijt op het bord. In het Enser lokaal waren vier borden, in het Emmeloorder lokaal waren er drie.

Geschiedenis en aardrijkskunde

Op beide scholen op Schokland was een kaart van Nederland en van Overijssel aanwezig. De kaart van Nederland symboliseerde -sedert de Bataafs -Franse tijd- de eenheidsstaat. Op de tweede plaats was kennis van de eigen provincie van belang. Schokland behoorde tot de provincie Overijssel en vandaar de aanwezigheid van deze kaart.
Na de Napoleontische oorlogen en de bevrijding van Nederland was sprake van een breed door het volk gedragen natiegevoel. Het was de voorbode van de Romantiek.
Zo had het dankbare volk in 1813 de terugkeer van het Oranjehuis toegejuicht. Ook de Nutsredenaars zongen in koor en uit volle borst: “Heil, heil dat Vaderland, het welk eenen Koning zegent, die doordrongen van het gevoel dezer waarheden, de verlichting en beschaving onzer Natie, door de meest gepaste middelen, met al zijn vermogen, voorstaat en uitbreidt”.
J. P. Heije (1809-1876), dokter te Amsterdam en voorzitter van 't Nut, werd beroemd met zijn bundels volks- en kinderliederen.
Wichers, de schoolmeester op Ens -door de inspectie geprezen om zijn zangkunst- zal zeker de liedjes van Heije als De Zilvervloot, De Ruyter en Zie de maan schijnt door de bomen, met veel enthousiasme hebben gezongen. Door iedere Nederlander diende het idee van de eenheidsstaat bevorderd te worden en in het onderwijs werd aan de opvoeding in nationale geest veel aandacht besteed.
De katholieken op Emmeloord zullen de liederen uit de Tachtigjarige oorlog waarschijnlijk met minder enthousiasme hebben gezongen: die oorlog was immers gericht tegen de katholieke koning Filips II. Dat vermoeden is gebaseerd op een opmerking van inspecteur Van Ingen uit het onderstaande rapport.

Onderwijsinspectie

Het onderwijs op Schokland was zeker niet slecht. Dat bleek wel uit een in de jaren dertig uitgebracht verslag van schoolopziener mr. J. J. van Ingen, raadslid te Kampen. Hij kwam persoonlijk naar Schokland, en bracht verslag uit aan de landelijk inspecteur mr. Henricus Wijnbeek(1832). Hij rapporteerde het volgende:
“Dit eiland heeft drie wijken: Wijk1 of de Zuiderbuurt, waar de vuurtoren staat; wijk 2 of de Molenbuurt, Ens geheten; en wijk 3 of Emmeloord. Die wijken hebben gemeenschap met elkaar door planken liggende op het paalwerk langs de zee. De twee eerste wijken bevatten 178 protestantse en 120 roomse bewoners, wijk 3 daarentegen 404 roomsen en 11 protestanten.
Er zijn twee scholen op het eiland, de ene te Ens, voor wijk 1 en 2, de andere voor wijk 3. De onderwijzer J. W. Wichers te Ens is van de protestantse, die te Emmeloord, A. Legebeke, van de roomse godsdienst. De klankmethode wordt aangewend door middel van de letterbak. De leestoon en het schrijven zijn beter te Ens. Daar wordt ook de zangkunst beoefend, te Emmeloord niet. In laatstgenoemde school daarentegen wordt meer werk gemaakt van het oordeelscherpend hoofdrekenen en van de getallenleer. In beide scholen is het stelsel maten en gewichten voorhanden en zijn de leerlingen daarmee goed bekend. De beide onderwijzers zijn zachtzinnig en braaf en in hun scholen heerste veel welvoeglijkheid, waarin de Schokkers anders niet uitmunten. De lokalen zijn bijna vierkant, te Ens met invallend licht links van de leerlingen en van boven; te Emmeloord aan beide zijden. Laatstgemeld lokaal is het beste.
Te Ens gaan vijftig, te Emmeloord bijna honderd kinderen naar school. In dat getal zijn begrepen de kinderen, die arbeiden in de weverijen, welke onlangs in de beide wijken zijn opgericht; doch deze gaan slechts eenmaal in de week naar school: 's dinsdags, van een tot half drie.'
De inspecteur blijkt dus best tevreden te zijn over het onderwijs op Schokland.
Legebeke kreeg in 1858 ook nog een pluim op de hoed van burgemeester J. Zeehuizen van Genemuiden, die het eiland vlak voor de ontruiming bezocht in verband met een mogelijke komst van Schokker gezinnen naar Genemuiden. Hij roemde Legebeke wegens “zijne gulle ontvangst, voorkomendheid, gevoegd bij zijn zucht voor het welzijn der Schokkers (…)”.

Leerplicht, schoolbezoek en lokalen

Hoewel de leerplicht pas in 1901 werd ingevoerd gold deze plicht - merkwaardig genoeg - wel voor bedeelden en kinderen werkend aan de weefgetouwen. Dat waren er op Schokland in de tijd van Legebeke vele tientallen. Bij het niet nakomen van de verplichting werd de uitkering ingehouden. De achterliggende gedachte was dat bedeelden niet werkloos en op kosten van de staat behoorden te leven. Onderwijs kon hen afhouden van het 'slechte pad'.
Van de kinderen werd verwacht dat ze zich ordelijk gedroegen. En als ze dat niet deden waren (strenge) straffen noodzakelijk. Er waren critici die de aanpak te streng vonden. In een Amsterdams tijdschrift sprak men in 1822 schande over de lichamelijke straffen op de scholen: (...)” men hangt den luiaards, of overtreders der schoolwetten, een stuk hout, dat van 4 tot 6 pond zwaar is, om den hals (...) Men sluit hem, na den tijd van onderwijs, in het schoolvertrek en bindt hem aan eene tafel vast. Men plaatst hem in een eene mand of zak en hangt hem dus aan den zolder”. In de berichtgeving over Schokland komen dit soort praktijken niet voor.
In het bovengenoemde inspectierapport van 1832 stond dat er ongeveer 150 kinderen naar school gingen. Dat aantal zou sterk teruglopen en gelijke tred houden met de afname van de bevolking. In 1850 kregen nog 110 kinderen kosteloos onderwijs. Enkele jaren later (in 1858) rapporteerde de burgemeester aan Gedeputeerde Staten van Overijssel, dat er op Ens 20 jongens en 12 meisjes, op Emmeloord 30 jongens en 25 meisjes kosteloos onderwijs ontvingen. Ook vermeldde hij dat de schoollokalen zeer goed onderhouden werden.

Legebeke en de ontruiming van Schokland.

Bij het snuffelen in het Historisch Centrum Overijssel (Zwolle) kom je onder indruk van de vele buitenschoolse activiteiten van Legebeke. Hij was lid en soms secretaris van commissies die zich bezighielden met de armoede op het eiland, het toezicht op de weverijen, het inzamelen van gelden ten behoeve van de armen. Ook verdedigde hij de Schokkers tegen -wat hij meende- de lastertaal van buiten. Algemeen in Nederland werd er trouwens op een vissersgemeenschap neergezien, veelal berustend op vooroordelen. Heel belangrijk is Legebekes bemoeienis geweest met de ontvolking van Schokland in 1859.Over die ontruiming worden (te) vaak onzinnige verhalen verteld. De Schokkers zouden bijvoorbeeld gevlucht zijn voor het water, terwijl zij nota bene als vissers leefden van en op het water. De werkelijke reden was dat er sedert jaren sprake was van hongersnood. De visserij stagneerde en omdat het de enige inkomstenbron was ontstond er een noodsituatie. Het is voor velen een raadsel dat het vertrek van de Schokkers zo ongestoord is verlopen. Een vissersgemeenschap – denk aan Urk - is immers zeer gehecht aan de geboortegrond.

Dat vrijwel vlekkeloos verlopen is vooral te danken aan de schoolmeester op Emmeloord, aan Legebeke. Hij stelde in 1857 een rapport op met de namen van alle Emmeloordse families (449 personen waarvan 133 kinderen beneden en 51 boven de15 jaar) en hij liet weten dat de bevolking een vertrek accepteerde als het Rijk een redelijke schadeloosstelling betaalde om elders een nieuw bestaan op te kunnen bouwen. Hij had zijn rapport opgesteld op verzoek van de Commissaris van de koning in Overijssel. De Commissaris was bang voor heftig verzet en voor veel politieke heisa. In de hoogtijdagen van het liberalisme stond vrijheid immers hoog genoteerd. Legebeke stuurde zijn rapport op 25 juli 1857 naar de Commissaris. We kunnen hier slechts het slot van zijn rapport opnemen. Legebeke maakte duidelijk dat de Schokkers vrijwillig zouden vertrekken als zij geldelijk gecompenseerd zouden worden. En hij liet zwart op wit weten dat een ontvolking nog voordelig was ook (zie slot rapport). Wie kon er dan nog tegen zijn!. Het complete rapport is op de website www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl.te vinden.
Legebeke had uiteraard van tevoren contact gehad met de in 1856 aangetreden pastoor H. F. J. ter Schouw, die, nauwelijks op Schokland gearriveerd, al meteen was begonnen met het zoeken naar een definitieve oplossing van de Schokker armoede.
In ‘Schokland verlaten’ verwijzen de schrijvers Bruno Klappe en Wim Veer naar een artikel in de Kamper Courant waarin de pastoor over de ontvolking van het eiland zegt “Eere zij den ontwerper van dit plan”. Bovengenoemde schrijvers filosoferen daarna over wie die ontwerper dan wel geweest kan zijn: de ingenieur van Waterstaat, de heer Ortt ofwel de heer Backer, de Commissaris van de koning in Overijssel.
Ik meen dat zij Legebeke hadden moeten noemen. Misschien was hij niet de bedenker, wel de uitvoerder. Hij was de enige op het eiland die als onderwijzer, havenmeester en een lang verblijf op het eiland over voldoende kennis beschikte om zo’n gedegen rapport samen te stellen. En …hij zal het vertrouwen van de vissersgemeenschap hebben gehad.
Tenslotte: Legebeke wist ook dat hij op de steun van de burgemeester van Schokland, G. J. Gillot, kon rekenen.

Legebeke en Brunnepe Het Kamper gemeentebestuur was niet toeschietelijk om de Schokkers onderdak te verlenen. Uiteindelijk kregen zij toestemming zich buiten de stadsgrenzen te vestigen in Brunnepe. Legebeke kocht daar aan de Noordweg twee woningen onder een kap met een grote lap grond erbij. Die lap grond verdeelde hij in 21 stukken ten behoeve van evenzoveel Schokker gezinnen. Hij hielp daarmee 97 mensen ( klein en groot) aan onderdak.
Ieder gezin betaalde hem hiervoor slechts f 23,81. Daarop werden huisjes gebouwd van 3,25 meter breed en ruim 4 meter diep. In totaal zouden zich 312 Schokkers in Kampen vestigen.
Arnoldus Legebeke vervolgde zijn loopbaan als onderwijzer in Kampen. In de Kamper Courant van 19 april 1866 lezen we: “Door Z. M. is voor 1866 wachtgeld verleend aan de gewezen onderwijzer der Hervormde gemeente op Schokland C. Rigter te Kampen ten bedrage van f 650,00 en aan den gewezen onderwijzer en havenmeester op Schokland A. Legebeke, mede wonende te Kampen, ten bedrage van f 700,00”. In het Archief van Onze Lieve Vrouwekerk is een vervolg te vinden op het wel en wee van de familie. Geertruida ten Peeze, echtgenoot van Arnoldus Legebeke, overleed in 1866. Voor haar werd, evenals voor haar eerste echtgenoot, een fundatie gesticht. Legebeke zelf overleefde zijn vrouw ruim 20 jaar en overleed in 1888. Op internet zijn de nazaten van Arnoldus Legebeke bezig met het samenstellen van een uitvoerige genealogie. Daaruit blijkt dat de op Schokland geboren zoon Gerardus Joannes Legebeke (1847-1893) in 1882 hoogleraar werd aan de Polytechnische school te Delft.
Bij zijn dood legateerde hij f 1800,- aan de Kamper pastoor ter ondersteuning van de arme Schokkers.

Over de inhoud van het onderwijs op Schokland zijn we met behulp van de inventarislijst aardig wat te weten gekomen, over de manier van lesgeven van Legebeke minder. Wel weten we dat het eiland Schokland volop meedeed aan de vernieuwingen op onderwijsgebied. Indrukwekkend is het werk van Legebeke betreffende de ontvolking. Dankzij zijn bemoeienis verliep de ontruiming geruisloos en konden de Schokkers elders een nieuw bestaan opbouwen.

Aaldert Pol, Emmeloord.

Dit artikel is verschenen in het blad Rondom Schokland, 56e jaargang nr 4, winter 2016.

Bronnen:

Met dank aan Theo van Mierlo uit Kampen voor de toezending van de gegevens uit het archief van Onze Lieve Vrouwekerk.

Illustraties
- l Inventarislijst, HCO. Toegangsnummer 25, inv. nr. 14455
- 2 Brave Hendrik, internet
- 3 R. K.-kerk, ruzie over de zitplaatsen (nr.8). Bruno Klappe, Het Schokker Erf 4, p.9-18
- 4 voorblad rekenboek van Baudet, internet
- 5 Over de Schokker zeden. Kamper Courant 19 augustus 1857. Bruno Klappe, Het Schokker Erf nr. 80
- 6 Brunnepe – plattegrond aankoop grond Legebeke Ab en Bruno Klappe, Het Schokker Erf 13, p.15 -13

www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl